Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1is (i) door het hof doorslaggevend bevonden dat op langere termijn omvangrijke investeringen nodig zijn om de molen in goede staat te houden en (ii) ligt in dat oordeel besloten het oordeel dat de voor deze investeringen benodigde middelen niet of in onvoldoende mate uit de huidige wijze van exploitatie (dat wil zeggen: de molen door [verweerder 2] zelf en het restaurant door middel van verhuur aan [eiser] ) kunnen worden gegenereerd. Deze oordelen gaan volgens het subonderdeel uit van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn zij onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
subonderdeel 2.1als
subonderdeel 2.2betogen dat het hof uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting door een verkeerde – te ruime – invulling te geven aan de maatstaf ‘dringend’ als bedoeld in artikel 7:296 lid 1 sub b BW Pro. De subonderdelen voeren daartoe aan dat de wettelijke maatstaf een zekere mate van urgentie ten aanzien van de voorgenomen ingebruikneming veronderstelt en dat dit aspect in het oordeel van het hof ontbreekt. Waar het hof overweegt dat het gehuurde voor [verweerder 2] ‘van voldoende wezenlijk belang’ is, is dit volgens subonderdeel 2.2 niet voldoende om aan de maatstaf te voldoen.
subonderdeel 3.1gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. Wanneer bij de vaststelling van de tegemoetkoming rekening wordt gehouden met een (eventuele) verhuizing naar een locatie ‘going concern’ en de huurder dan feitelijk geen andere keuze heeft dan te betalen voor de inventaris en de goodwill, dan behoort het door de huurder te betalen bedrag aan goodwill in beginsel mede tot de (verhuis)kosten als bedoeld in art. 7:297 BW Pro. Dat in de wetsgeschiedenis wordt aangegeven dat geen vergoeding van goodwill dient plaats te vinden, ziet op iets anders, namelijk op de door de vertrekkende huurder in de door hem te verlaten locatie opgebouwde goodwill waarvoor art. 7:308 BW Pro een regeling treft. Volgens
subonderdeel 3.2is het oordeel van het hof over de strekking van art. 7:297 BW Pro onvoldoende gemotiveerd.
subonderdeel 3.2faalt, omdat het hof niet gehouden is een rechtsoordeel te motiveren, faalt onderdeel 3.
subonderdeel 4.1is het oordeel in rov. 9.24 onbegrijpelijk gezien het door [eiser] naar voren gebrachte (essentiële) bezwaar met betrekking tot de wijze waarop de deskundige de kosten van inventaris heeft berekend, namelijk door een korting toe te passen van ongeveer 25% op de door [eiser] genoemde bedragen. Het subonderdeel erkent dat de deskundige nadere uitleg over dit percentage heeft verschaft, maar wijst er op dat [eiser] zijn standpunt bij MvA na deskundigenbericht nader heeft uitgewerkt en heeft gesteld dat een korting van maximaal 18,6% zou kunnen worden toegepast. Het hof had, zo betoogt het subonderdeel, niet kunnen volstaan met verwerping van dit bezwaar met uitsluitend een verwijzing naar het deskundigenbericht.
subonderdelen 5.1 en 5.2die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, veronderstellen dat het dictum ten aanzien van de toegewezen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten tot gevolg heeft of zou kunnen hebben dat [eiser] zijn recht op de tegemoetkoming zou kunnen verliezen vanwege (het tijdsverloop dat gepaard gaat met) het instellen van onderhavige cassatieprocedure.
subonderdeel 5.3, dat overigens geen klacht tegen het arrest gerichte klacht bevat.