ECLI:NL:PHR:1997:AA2097
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen ondernemerschap echtgenote in maatschap tandartspraktijk
De zaak betreft een geschil over de kwalificatie van de echtgenote van een tandarts als ondernemer binnen een maatschap die zij samen zijn aangegaan. De belanghebbende, een tandarts, stelt dat zijn echtgenote als ondernemer moet worden aangemerkt voor de heffing van inkomstenbelasting sinds de oprichting van de maatschap in 1990. De inspecteur van de Belastingdienst betwist dit.
Het hof Arnhem heeft geoordeeld dat de werkzaamheden van de echtgenote hoofdzakelijk ondersteunend zijn en niet duiden op ondernemerschap, mede omdat zij geen vermogen inbracht en geen ondernemingsrisico loopt. Ook vond het hof de winstverdeling onzakelijk, maar dit oordeel is feitelijk en niet vatbaar voor cassatie. De belanghebbende stelde diverse middelen in cassatie, die de Hoge Raad stuk voor stuk verwierp.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de feitelijke beoordeling van de aard van de werkzaamheden en het ondernemingsrisico niet kan worden getoetst in cassatie. Ook is het oordeel over de onzakelijke winstverdeling geen zelfstandige grond voor vernietiging. Daarmee blijft het oordeel van het hof staan dat de echtgenote geen ondernemer is binnen de maatschap en dat de maatschap geen ondernemerschap creëert.
De Hoge Raad concludeert dat de belanghebbende onvoldoende concrete feiten heeft gesteld om het ondernemerschap van zijn echtgenote aannemelijk te maken. De cassatie wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel dat de echtgenote geen ondernemer is bevestigd.