ECLI:NL:PHR:2008:AZ9086
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van de ondersteunende-werkzaamhedentoets en gebruikelijkheidstoets in het urencriterium van de Wet IB 2001
Deze conclusie van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad behandelt de toepassing van artikel 3.6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001). Dit artikel bevat een uitsluitingsregel voor het urencriterium die van toepassing is op werkzaamheden binnen samenwerkingsverbanden tussen verbonden personen, zoals echtgenoten.
De kern van de discussie betreft twee toetsen: de ondersteunende-werkzaamhedentoets, die bepaalt of de werkzaamheden hoofdzakelijk ondersteunend zijn, en de gebruikelijkheidstoets, die beoordeelt of het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan. De conclusie analyseert de parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en praktijkvoorbeelden om deze toetsen te verduidelijken.
De conclusie benadrukt dat de ondersteunende-werkzaamhedentoets kwantitatief wordt ingevuld, waarbij hoofdzakelijk betekent dat meer dan 70% van de werkzaamheden ondersteunend is. De gebruikelijkheidstoets wordt kwalitatief ingevuld en richt zich op de vraag of een vergelijkbaar samenwerkingsverband tussen derden gebruikelijk zou zijn, rekening houdend met de aard van de werkzaamheden en bedrijfstak.
Verschillende voorbeelden illustreren situaties waarin samenwerkingsverbanden wel of niet als gebruikelijk worden beschouwd, zoals man-vrouw firma's in de agrarische sector versus samenwerkingen tussen een tandarts en een assistente. De conclusie bespreekt ook de bewijslastverdeling, waarbij de belastingplichtige moet aantonen dat het samenwerkingsverband niet ongebruikelijk is.
Tot slot wordt geconcludeerd dat de uitsluitingsregel een alles-of-niets karakter heeft: indien aan beide toetsen wordt voldaan, tellen alle uren niet mee voor het urencriterium. Er is ruimte voor tegenbewijs in uitzonderlijke gevallen, zoals bij startende of uittredende partners, waarbij het samenwerkingsverband ondanks ondersteunende werkzaamheden toch als gebruikelijk kan worden aangemerkt.
Uitkomst: De conclusie verduidelijkt dat de ondersteunende-werkzaamhedentoets en gebruikelijkheidstoets cumulatief bepalen of uren binnen een samenwerkingsverband meetellen voor het urencriterium, met ruimte voor uitzonderingen via tegenbewijs.