ECLI:NL:PHR:1997:AA2175
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling kapitaalsbelasting bij inbreng gehele vermogen in dochtermaatschappij
De zaak betreft de vraag of de inbreng van het gehele vermogen door C B.V., een houdstermaatschappij, in haar dochtermaatschappij X B.V. is vrijgesteld van kapitaalsbelasting. De Belastingdienst had een naheffingsaanslag opgelegd, maar het hof oordeelde dat de transactie vrijgesteld is op grond van artikel 7, lid 1, van de Europese Richtlijn betreffende indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal.
Het hof stelde dat de vooraf overeengekomen overdrachten van wezenlijke delen van het ingebrachte vermogen niet ten koste gingen van het eigen vermogen van belanghebbende en dat de reorganisatie niet in strijd was met doel en strekking van de vrijstelling. Tevens werd geoordeeld dat de voortzettingseis, die in eerdere jurisprudentie werd gehanteerd, niet vereist is voor de toepassing van de vrijstelling bij inbreng van het gehele vermogen.
De staatssecretaris stelde cassatie in met twee middelen: het eerste betrof de voortzettingseis, waarbij werd betoogd dat deze eis ook bij inbreng van het gehele vermogen moet gelden; het tweede middel betrof het vertrouwensbeginsel. De Hoge Raad verwierp het eerste middel en achtte het tweede middel niet meer aan de orde. De conclusie van de A-G bevestigt dat de richtlijn directe werking heeft en dat de voortzettingseis niet geldt bij inbreng van het gehele vermogen, ook niet als dit vermogen een onderneming omvat.
De Hoge Raad bevestigt hiermee dat de inbreng van het gehele vermogen in een dochtermaatschappij is vrijgesteld van kapitaalsbelasting, ook als niet de gehele onderneming wordt voortgezet, en dat toezeggingen van de inspecteur niet verder reiken dan uitdrukkelijk is toegezegd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijstelling van kapitaalsbelasting bij inbreng van het gehele vermogen zonder voortzettingseis.