Conclusie
erheblichesexuelle Handlungen.
Parket bij de Hoge Raad
Het gerechtshof te ’s-Gravenhage had verdachte veroordeeld voor verkrachting en feitelijke aanranding van de eerbaarheid, waarbij een gevangenisstraf van 24 maanden werd opgelegd, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Verweer in cassatie richtte zich op de bewezenverklaring, waarbij werd betoogd dat deze slechts op één getuigenverklaring zou rusten.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs van het gehele ten laste gelegde niet uitsluitend op één getuige mag steunen, maar dat het daderschap wel door één getuige kan worden bewezen mits andere bewijsmiddelen andere onderdelen ondersteunen. Het middel faalt op dit punt.
De kern van de cassatie betreft echter de kwalificatie van het bewezenverklaarde. De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte het bewezenverklaarde als verkrachting heeft gekwalificeerd, terwijl het feitelijk neerkwam op een minder ernstige vorm van aanranding, namelijk een tongzoen. De wetsgeschiedenis en jurisprudentie tonen aan dat verkrachting een ruim begrip is van seksueel binnendringen, maar dat een tongzoen niet als verkrachting kan worden aangemerkt.
De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar een ander hof voor hernieuwde beoordeling en afdoening, waarbij het bewezenverklaarde niet als verkrachting maar als aanranding moet worden gekwalificeerd. De strafoplegging en de verwijzing naar art. 242 Sr Pro worden daarmee vernietigd.
De conclusie bevat uitgebreide vergelijkingen met Duitse en Franse strafrechtelijke definities en jurisprudentie, waarin wordt bevestigd dat een tongzoen niet de ernst van verkrachting bereikt. De zaak benadrukt de noodzaak van een juiste juridische kwalificatie die aansluit bij de objectieve ernst van het bewezenverklaarde.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de kwalificatie verkrachting en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling als aanranding.