Conclusie
eerstemiddel behelst de klacht dat het hof de feiten 1, 3, 4, 5, 7 en 8 ten onrechte heeft gekwalificeerd als verduistering nu in de bewezenverklaring telkens het door art. 321 Sr Pro vereiste bestanddeel ‘’anders dan door misdrijf’’ ontbreekt.
tweedemiddel mist eveneens feitelijke grondslag omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 1997 (blz. 3-5), naar aanleiding waarvan het bestreden arrest is gewezen, blijkt dat de deskundigen Strietman en Visser aldaar zijn gehoord.
derdemiddel betoogt dat het hof terzake van de feiten 1, 3, 4, 5, 7 en 8 een onjuiste betekenis heeft toegekend aan het begrip ‘’verduistering’’. De toelichting bevat evenwel ook, niet steeds scherp van elkaar onderscheiden en derhalve niet steeds gemakkelijk te bespreken klachten met betrekking tot de wederrechtelijkheid en verzoekers opzet alsmede ten aanzien van de bewijsvoering.
sub awordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en 's hofs nadere bewijsoverwegingen niet kan worden afgeleid dat verzoeker de gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend.
sub bwordt aangevoerd dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken ‘’of het handelen van requirant wellicht als dwaling met betrekking tot de rechtmatigheid kon worden bestempeld’’.
sub cbevat de stelling dat het in hoger beroep aangevoerde, te weten dat verzoeker de betreffende gelden heeft terugbetaald aan de rechthebbenden op de tijdstippen waarop deze betalingen dienden te geschieden, en dat de notaris de garantie had gegeven dat bij hem in privé en in de overwaarde van het kantoorpand voldoende dekking was gelegen voor de onttrekkingen, de mogelijkheid openlaat dat verzoeker zich de gelden niet-opzettelijk heeft toegeëigend.
vierdemiddel mist feitelijke grondslag voor zover het de wetenschap van notaris [notaris 2] omtrent het reilen en zeilen op het kantoor als vaststaand aanneemt. Daaromtrent is door het hof niets vastgesteld en behoefde door het hof niets te worden vastgesteld nu daaromtrent in hoger beroep niets is aangevoerd.
zesdemiddel behelst de klacht dat het hof een onjuiste betekenis heeft toegekend aan het bestanddeel ‘’oogmerk’’ dat in de telastelegging sub 2 en 6 is vermeld.
in de context van art. 225 Sr Prode geëiste bedoeling zodanig te objectiveren dat men daar dicht bij in de buurt komt, wordt bedoeld (bewijs)verweer weerlegd door de gemotiveerde bewezenverklaring. Uit bewijsmiddel 4 heeft het hof immers kunnen afleiden dat verzoeker wist dat het in de bewezenverklaring sub 2 bedoelde vermogensoverzicht mede was bedoeld om de kantonrechter te kunnen laten oordelen over het door hem gevoerde bewind. En uit bewijsmiddel 12 heeft het hof kunnen afleiden dat verzoeker wist dat het in de bewezenverklaring sub 6 bedoelde stuk bedoeld was om rekening en verantwoording af te leggen inzake de afwikkeling van de nalatenschap. Bij die stand van zaken heeft het hof als vaststaand kunnen aannemen dat verzoeker de stukken valselijk heeft opgemaakt met de bedoeling om bij onwetende derden (de kantonrechter, de erfgenamen) een onjuiste voorstelling ingang te doen vinden omtrent het gevoerde bewind resp. beheer en dat hij mitsdien heeft gehandeld met het oogmerk van misleiding. Dat verzoeker zelf de vermelding van de ware gegevens ‘’onnodig’’ achtte, doet hieraan niet af.
vijfdemiddel wordt gepresenteerd, zou ik willen betogen dat het geen cassatiemiddel oplevert. Als zodanig kan naar mijn mening niet gelden de stelling dat niet blijkt dat het hof omtrent de feiten 2 en 6 ‘’naar aanleiding van het gemotiveerde verweer van requirant iets heeft overwogen’’ zonder dat wordt aangegeven welk verweer het hof gepasseerd heeft. Dit klemt te meer nu noch in de verklaring van verzoeker in hoger beroep noch in de aldaar gebezigde pleitnota, behoudens ten aanzien van het punt dat in het zesde middel aan de orde is gesteld, iets te lezen valt wat voor een verweer zou kunnen doorgaan. [10]