ECLI:NL:PHR:1999:AA2655
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid van rente op perpetuele cumulatieve achtergestelde obligaties voor vennootschapsbelasting
In deze zaak betwist de staatssecretaris van Financiën de aftrekbaarheid van rente die een bank betaalt op ƒ 300.000.000,- 8½ % perpetuele cumulatieve achtergestelde obligaties. De bank had deze obligaties uitgegeven tegen een koers van 101,05% en de rente werd door het hof aftrekbaar geoordeeld.
De kern van het geschil is of de rente op deze obligaties als aftrekbare bedrijfskosten kan worden beschouwd of dat deze moet worden aangemerkt als winstuitdeling, hetgeen niet aftrekbaar is. Het hof oordeelde dat de rente niet afhankelijk is van de winst, maar slechts de betaling kan worden opgeschort bij het niet vaststellen van dividend, zonder dat de rente zelf vervalt.
De staatssecretaris stelde in cassatie dat er sprake is van winstafhankelijkheid omdat de betaling van de rente afhankelijk is gesteld van dividenduitkering. De Hoge Raad overwoog dat het uitstel van betaling niet gelijk staat aan winstafhankelijkheid, omdat de rente uiteindelijk wel verschuldigd blijft en ingehaald moet worden. Daarom is de rente aftrekbaar. Het middel van cassatie faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De rente op de perpetuele cumulatieve achtergestelde obligaties is aftrekbaar als bedrijfskosten voor de vennootschapsbelasting.