ECLI:NL:PHR:1999:AA2745
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het gelijkheidsbeginsel bij belastingheffing na cassatie en verwijzing
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem over de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in de inkomstenbelasting. Na verwijzing door de Hoge Raad werd het geschil in meervoudige kamer voortgezet, waarbij de belanghebbende voor het eerst een beroep op het gelijkheidsbeginsel deed.
Het hof verwierp dit beroep, stellende dat het niet in strijd was met de goede procesorde om het beroep niet in de beoordeling te betrekken, omdat het na verwijzing was ingebracht en daarmee een nieuwe grief vormde. De Hoge Raad onderzoekt in deze zaak de reikwijdte van de verwijzingsopdracht en de mogelijkheid om nieuwe rechtsmiddelen na cassatie en verwijzing aan te voeren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukt dat de rechter na verwijzing gebonden is aan de opdracht van het verwijzingsarrest en dat nieuwe grieven, zoals het beroep op het gelijkheidsbeginsel in deze zaak, niet binnen die opdracht vallen. Het hof had derhalve het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet mogen betrekken, en de middelen die daarop steunen leiden niet tot cassatie.
De zaak bevat een uitgebreide beschouwing over de procedure na cassatie en verwijzing, met verwijzingen naar eerdere jurisprudentie en literatuur, waarin wordt bevestigd dat de procedure na verwijzing geen ruimte biedt voor nieuwe feitelijke stellingen of rechtsmiddelen, tenzij het toepasselijke recht is gewijzigd of nieuwe juridische inzichten zijn ontstaan.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing en onderstreept het belang van de goede procesorde en de gebondenheid aan de verwijzingsopdracht in belastingzaken.
Uitkomst: Het beroep op het gelijkheidsbeginsel na cassatie en verwijzing mocht niet worden betrokken en leidt niet tot cassatie.