ECLI:NL:PHR:1999:AA2751
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg overgangsregeling waardering pensioenverplichtingen bij gebroken boekjaar
De zaak betreft een cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over de waardering van pensioenverplichtingen in een gebroken boekjaar. De belanghebbende, een vennootschap met een gebroken boekjaar van 1 mei tot 30 april, had haar pensioenverplichtingen per 30 april 1995 gewaardeerd volgens de lineaire methode. De vraag was of dit was toegestaan voor de periode 1 januari 1995 tot 30 april 1995, nadat per 1 januari 1995 een nieuw actuariëel waarderingsstelsel was ingevoerd.
De Hoge Raad analyseerde de wettelijke bepalingen, waaronder artikel 9b en 70a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en artikel 31b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, alsmede de uitvoeringsregeling IB 1990. De overgangsregeling bepaalt dat zolang de actuariële waarde lager is dan de waarde volgens het oude stelsel aan het einde van het laatste jaar waarin het oude stelsel gold, de oude waarde wordt aangehouden. De Hoge Raad bevestigt dat dit laatste jaar moet worden opgevat als het laatste volledige boekjaar, ook bij een gebroken boekjaar.
De wetsgeschiedenis, waaronder memorie van toelichting en parlementaire behandeling, ondersteunt deze uitleg. De ministeriële regeling en toelichting sluiten hierop aan, zonder afwijking voor gebroken boekjaren. De Hoge Raad verwerpt het middel van de staatssecretaris dat de regeling anders zou moeten worden uitgelegd. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het vonnis van het hof blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de staatssecretaris wordt verworpen; de bevriezingsmethode geldt ook bij gebroken boekjaren vanaf het einde van het laatste volledige boekjaar.