ECLI:NL:PHR:1999:AA3844
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toekenning uitsluitend ouderlijk gezag aan moeder na echtscheiding
Na de echtscheiding van partijen werd het ouderlijk gezag over hun drie minderjarige kinderen aanvankelijk aan de vader toegekend. De moeder en vader verzochten vervolgens beiden om het gezag exclusief toe te kennen. De rechtbank besloot op advies van de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) het gezag aan de moeder toe te kennen, omdat zij beter in staat zou zijn de kinderen buiten het conflict te houden en inzicht had in de emotionele gevolgen van de scheiding.
De kinderen werden onder toezicht gesteld van een stichting, waarbij de twee jongste kinderen bij de moeder verbleven en de dochter bij de vader. Het hof bekrachtigde het besluit van de rechtbank en handhaafde de status quo van de verblijfplaats van de kinderen, mede vanwege de spanningen tussen de ouders en de voorkeur van de dochter om bij haar vader te blijven.
De vader stelde cassatie in tegen deze beslissing, stellende dat het hof onbegrijpelijk en tegenstrijdig had geoordeeld door het gezag aan de moeder toe te kennen terwijl de verblijfplaats van de dochter bij de vader bleef. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het belang van de kinderen, waaronder rust en gezamenlijk opgroeien, juist had meegewogen en dat het hof binnen zijn beoordelingsruimte bleef. De cassatiemiddelen werden verworpen en het beroep afgewezen.
Uitkomst: Het ouderlijk gezag wordt exclusief aan de moeder toegekend, met handhaving van de verblijfplaats van de dochter bij de vader.