ECLI:NL:PHR:2000:AA5634
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over verjaring bij asbestschade en mesothelioom
In deze zaak vorderen de erven van een overleden werknemer schadevergoeding van Eternit Fabrieken B.V. wegens blootstelling aan asbest tijdens diens dienstverband, wat leidde tot mesothelioom. De rechtbank wees de vorderingen af wegens verjaring, omdat de schadetoebrengende gebeurtenis (blootstelling aan asbest) meer dan 30 jaar voor het instellen van de vordering plaatsvond.
De erven stelden dat de verjaringstermijn pas zou moeten beginnen bij het ontstaan van de ziekte of het overlijden, en dat toepassing van de verjaring onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De Hoge Raad oordeelt echter dat de wettelijke regeling van art. 3:310 BW Pro bepaalt dat de verjaringstermijn begint te lopen bij de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, en dat het ontstaan van de ziekte of het overlijden niet bepalend is.
De Hoge Raad erkent de schrijnende situatie van mesothelioomslachtoffers en bespreekt de problematiek van sluipende schade en incubatietijden, maar benadrukt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor vaste verjaringstermijnen om rechtszekerheid te waarborgen. Het beroep op redelijkheid en billijkheid om de verjaring te doorbreken wordt afgewezen. Ook het mensenrechtelijke perspectief (art. 6 EVRM Pro) wordt besproken, waarbij wordt erkend dat strikte toepassing van verjaring in sommige gevallen problematisch kan zijn, maar dat dit in deze zaak niet tot een andere uitkomst leidt.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vordering verjaard is, waarmee de aansprakelijkheidsvraag onbesproken blijft.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vordering verjaard is.