Uitspraak
9 oktober 1992.
Hoge Raad
De bewoners van onroerende zaken in de wijk [A] te Maassluis vorderden van de gemeente Maassluis schadevergoeding wegens waardedaling van hun woningen door bodemverontreiniging. De grond was in de jaren 1962-1964 opgehoogd met verontreinigd baggerslib, waarvan de gemeente Rotterdam destijds kennis had. De gemeente Maassluis gaf de percelen uit als bouwgrond, ondanks de verontreiniging en de daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico's.
De rechtbank wees de vorderingen deels toe en het hof bevestigde dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld door de bouwgrond uit te geven zonder de kopers te waarschuwen, mede gelet op haar eigen kennis van de verontreiniging. De gemeente voerde onder meer verjaring, eigen schuld en een exoneratieclausule aan, maar deze werden door het hof verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door de bouwgrond uit te geven terwijl zij wist of moest weten dat de grond verontreinigd was en dat dit gezondheidsrisico's opleverde. De verjaringstermijn begint pas te lopen vanaf het moment dat de benadeelden kennis kregen van de verontreiniging, wat hier in 1983 was. Ook is het toegestaan om schade in abstracto te berekenen. De cassatieberoepen van de gemeente werden verworpen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de gemeente tot schadevergoeding wegens onrechtmatige uitgifte van verontreinigde bouwgrond.