ECLI:NL:PHR:2000:AA5635
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring en aansprakelijkheid bij mesothelioom door asbestblootstelling
In deze zaak staat centraal de vraag of de verjaringstermijn van dertig jaar uit art. 3:310 lid 2 BW Pro toepasselijk is op vorderingen van mesothelioomslachtoffers en hun erven tegen werkgevers die blootstelling aan asbest veroorzaakten. De overledene was tussen 1959 en 1963 bij De Schelde werkzaam en werd in 1996 gediagnosticeerd met mesothelioom, een kankersoort veroorzaakt door asbest.
De erven stelden De Schelde aansprakelijk en vorderden materiële en immateriële schadevergoeding. De Schelde beriep zich op verjaring, stellende dat de dertigjarige termijn was verstreken sinds het einde van de blootstelling in 1963. De rechtbank en kantonrechter wezen de vordering af wegens verjaring. De erven voerden in hoger beroep en cassatie aan dat de verjaring onredelijk was en dat de termijn pas zou moeten lopen vanaf het moment dat de schade bekend werd.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn begint te lopen bij de gebeurtenis die de schade veroorzaakt, hier de blootstelling aan asbest, en niet bij het bekend worden van de ziekte. Wel erkent de Hoge Raad dat in bijzondere gevallen, gelet op redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 BW Pro), het beroep op verjaring onaanvaardbaar kan zijn, bijvoorbeeld wanneer het slachtoffer pas laat met de schade bekend wordt en spoedig daarna de vordering instelt. De Hoge Raad vernietigt het bestreden vonnis en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij onder meer de vraag van onaanvaardbaarheid van verjaring aan de orde komt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak terug voor verdere beoordeling van de onaanvaardbaarheid van het beroep op verjaring.