ECLI:NL:PHR:2000:AA5860
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Staat tot privaatrechtelijke vergoeding voor baggerstortingen in zee
De zaak betreft een geschil tussen de Gemeente 's Gravenhage en de Staat der Nederlanden over de vraag of de Staat een privaatrechtelijke vergoeding mag vragen voor het storten van baggerspecie in de Noordzee. De Gemeente betwistte dit en voerde onder meer aan dat de Staat zich niet kon verzetten tegen het storten omdat de baggerspecie grotendeels door de stroming wordt verspreid en dat het storten een gewoon gebruik van de zee is. Tevens stelde zij dat het vragen van een vergoeding een onaanvaardbare doorkruising van de Wet verontreiniging zeewater (WVZ) vormt.
De Staat stelde dat hij eigenaar is van de zeebodem en zich daarom tegen het storten mag verzetten en een vergoeding mag vragen. De Staat voerde aan dat de WVZ geen grondslag biedt voor het opleggen van een heffing en dat het vragen van een vergoeding geen onaanvaardbare doorkruising is omdat de WVZ geen publiekrechtelijke heffingsregeling kent voor stortingen in zee.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van de Gemeente af en oordeelden dat de Staat een redelijk belang heeft bij het vragen van een vergoeding en dat er geen sprake is van misbruik van bevoegdheid of onaanvaardbare doorkruising van de WVZ. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, waarbij hij onder meer overwoog dat de Staat als eigenaar van de zeebodem het recht heeft privaatrechtelijke vergoedingen te bedingen, dat de WVZ geen exclusieve publiekrechtelijke regeling biedt die het privaatrecht uitsluit, en dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden doordat voor stortingen in oppervlaktewater een ander regime geldt dan voor stortingen in zee.
De Hoge Raad benadrukte dat het vragen van een vergoeding voor het terugbezorgen van baggerspecie afkomstig van de eigen zeebodem onevenredig zou zijn, maar dat dit niet aan de orde was in deze zaak. Verder werd bevestigd dat de WVZ geen heffingsregeling kent en dat het ontbreken daarvan niet betekent dat de Staat geen privaatrechtelijke vergoeding mag vragen. De conclusie van de Advocaat-Generaal was vernietiging van het bestreden arrest, maar de Hoge Raad handhaafde het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Staat een privaatrechtelijke vergoeding mag vragen voor het storten van baggerspecie in de Noordzee.