Uitspraak
[verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente Eindhoven, verweerster in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, mede advocaat bij de Hoge Raad;
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de vraag of een privaatrechtelijke huurovereenkomst tussen de gemeente Eindhoven en een vennootschap voor het gebruik van een deel van de openbare weg voor een benzineverkooppunt verenigbaar is met de bepalingen van de Gemeentewet, met name artikel 275 en Pro 287. De huurder stelde dat het huurcontract nietig was omdat de heffing van gelden voor het gebruik van openbare gemeentegrond volgens de Gemeentewet alleen via een plaatselijke belastingverordening kan plaatsvinden.
De gemeente stelde dat zij zowel publiekrechtelijk als privaatrechtelijk vergoeding kon vragen, waarbij privaatrecht werd toegepast bij het verlenen van een monopoliepositie, zoals bij een benzinestation. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat de huurovereenkomst in strijd was met de Gemeentewet en wees de vordering van de huurder toe, terwijl de reconventionele vordering van de gemeente tot ontruiming werd afgewezen.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en oordeelde dat de bepalingen van artikel 275 en Pro 287 van de Gemeentewet niet van toepassing zijn op privaatrechtelijke huurovereenkomsten, maar dat het aangaan van een dergelijke overeenkomst zich wel moet verhouden tot de strekking van deze artikelen. De Hoge Raad stelde dat de wetgever oorspronkelijk uitging van het publiekrechtelijk karakter van het gebruik van openbare gemeentegrond, maar dat de huidige rechtsopvattingen het burgerlijk recht ook toepasbaar achten zolang de bestemming tot openbare dienst niet wordt aangetast.
De Hoge Raad concludeerde dat de vordering van de huurder moet worden afgewezen en veroordeelde de huurder in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering van de huurder af en bevestigt dat privaatrechtelijke huurovereenkomsten voor gebruik van openbare gemeentegrond mogelijk zijn.