ECLI:NL:PHR:2000:AA6299
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vervalbeding in huwelijksvoorwaarden bij verrekening na echtscheiding
Partijen zijn in 1968 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een verrekenbeding dat een vervaltermijn bevatte. Na feitelijke scheiding in 1990 startte de vrouw in 1991 een echtscheidingsprocedure, waarin zij pas in 1996 een beroep deed op het verrekenbeding. De man verzocht vervolgens de echtscheiding uit te spreken en voerde verweer tegen de verrekeningsvordering.
Het hof oordeelde dat het beroep van de man op het vervalbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar was, mede gelet op het late tijdstip van het beroep door de vrouw en de gevolgen voor het familiebedrijf. De vrouw stelde cassatie in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad bevestigde dat een vervalbeding in huwelijksvoorwaarden niet nietig is en dat de bewijslast om het beroep op het vervalbeding te rechtvaardigen bij de echtgenoot ligt die zich daarop beroept. De beoordeling van de omstandigheden is feitelijk en ligt bij de feitenrechter. Het hof heeft dit naar recht gedaan en de klachten van de vrouw faalden. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Het beroep op het vervalbeding in de huwelijksvoorwaarden werd gegrond verklaard en het cassatieberoep van de vrouw verworpen.