ECLI:NL:PHR:2000:AA6308
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorbedachte raad bij moord op kinderen ondanks verzoeningspoging
Verdachte schreef op 15 mei 1996 een afscheidsbrief en wilde zelfmoord plegen, waarbij hij ook zijn kinderen mee wilde nemen. Na een mislukte poging telefonisch contact te krijgen met zijn echtgenote en een laatste verzoeningspoging via buren, besloot hij zijn kinderen te doden. Het hof oordeelde dat sprake was van een voorwaardelijk voornemen dat onvoorwaardelijk werd toen de verzoening mislukte.
De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was om voorbedachte raad aan te nemen en dat verdachte handelde in een opwelling. De Hoge Raad overwoog uitgebreid dat voorbedachte raad niet vereist dat verdachte zich expliciet rekenschap gaf van de gevolgen, maar dat voldoende is dat gelegenheid tot bezinning bestond tussen besluit en uitvoering.
Daarnaast werd het verweer van ontoerekeningsvatbaarheid of overmacht vanwege vermeende 'voodoo'-invloed verworpen, omdat deze praktijken niet gericht waren op de kinderen en geen strafuitsluitingsgrond vormden.
De Hoge Raad verwierp de cassatie en bevestigde het oordeel van het hof dat verdachte met voorbedachte raad handelde en veroordeeld kon worden voor moord en poging tot moord.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat verdachte met voorbedachte raad handelde en veroordeelt hem tot gevangenisstraf en terbeschikkingstelling.