ECLI:NL:PHR:2000:AA6600
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en fiscale behandeling van uitgestelde arbeidsbeloningen aan bestuurder
Belanghebbende, een BV opgericht in 1990, had tussen 1989 en 1993 uitgestelde arbeidsbeloningen toegekend aan haar bestuurder A, die tevens enig aandeelhouder was. De arbeidsbeloningen waren lager vastgesteld dan de reële beloningen, met afspraken dat het verschil in latere jaren zou worden uitgekeerd. In 1993 sloten partijen een schriftelijke overeenkomst waarin de uitbetaling van deze achterstallige beloningen werd vastgelegd, met uitkering in het veertiende jaar na het betreffende jaar.
De Inspecteur stelde zich op het standpunt dat de passiefpost voor de jaren 1989 tot en met 1992 niet acceptabel was, omdat er geen rechtsgeldige verplichtingen bestonden. Het Hof stelde de Inspecteur in het gelijk en oordeelde dat de toekenning niet op zakelijke gronden was gebaseerd, maar bedoeld was voor belastinguitstel en aandeelhoudersvoordeel.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de toekenning onzakelijk was. De toekenning diende als vergoeding voor daadwerkelijk verrichte arbeid en was niet onzakelijk. Verder stelde de Hoge Raad dat de verplichtingen voor de jaren 1989-1992 niet afdwingbaar waren vóór 1993, maar dat de passivering van de arbeidsbeloningen in 1993 geoorloofd was. De fiscale regels en het goed koopmansgebruik staan toe dat de lasten in het jaar van betaling worden genomen, mits er een juridische verplichting bestaat. De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof en de aanslag van de Inspecteur en bepaalde dat de arbeidsbeloningen in 1993 ten laste van de winst mogen worden gebracht.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de uitgestelde arbeidsbeloningen in 1993 fiscaal passief mogen worden opgenomen en vernietigt het oordeel van het Hof en de aanslag van de Inspecteur.