Conclusie
1.Overzicht
BNB1969/80 (zie 6.4) dat goed koopmansgebruik passivering van pensioenverplichtingen toestaat, maar ook toestaat dat de premies voor of de uitkering van pensioenen ten laste komen van de winst van het jaar waarin de premie of uitkering wordt betaald. Art. 3.29 Wet IB 2001 doet daar volgens het Hof niet aan af omdat die bepaling niet verplicht tot passivering, maar slechts bepaalt dat
alshet de verplichting wordt gepassiveerd, zij actuarieel moet worden gewaardeerd met een minimum rekenrente van 4%; dat is niet relevant als er niet wordt gepassiveerd. Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep daarom gegrond verklaard en haar belastbare winst 2016 verhoogd tot € 551.206, conform haar aangifte.
BNB2001/1 (zie 6.7 hieronder) betoogt hij dat voor een juridisch afdwingbare en bepaalbare verplichting zoals de litigieuze pensioenverplichting
moetworden voorzien. Uit HR
BNB2011/85 (zie 6.10 hieronder) volgt zijns inziens bovendien dat loonkosten in beginsel moeten worden toegerekend aan het jaar waarin de werknemer de beloonde arbeid verricht. Het omslagstelsel leidt tot toerekening van loonkosten aan jaren waarin geen arbeid meer wordt verricht. Hij acht HR
BNB1969/80, waarop het Hof zich heeft gebaseerd, achterhaald. Hij wijst bovendien op HR
BNB1993/7 (zie 6.6 hieronder), waaruit zijns inziens volgt dat een stelselwijziging zoals de litigieuze geen terugwerkende kracht kan hebben, zodat de tot 2017 opgebouwde voorziening ook bij toestaan van een stelselwijziging niet vrijvalt omdat het omslagstelsel ook dan pas vanaf 2017 kan worden toegepast.
BNB2017/203 Zie 5.3 hieronder) overwoog u van ambtswege dat “de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep slechts kunnen strekken tot verlaging van de bestreden aanslag onderscheidenlijk verhoging van het bij de verlies-vaststellingsbeschikking vastgestelde bedrag”, maar die overweging zwijgt over verliesverrekeningsbeschikkingen en het Hof heeft onbestreden vastgesteld dat belanghebbendes grieven ook zien op de verliesverrekeningsbeschikking 2016. Het Hof heeft mijns inziens verder terecht overwogen dat het verrekenbare verlies verdampt als het in 2016 niet wordt verrekend en dat beoordeling van de stelselwijziging in een later jaar niet meer kan leiden tot verrekening van de eventuele vrijval met verliezen uit eerdere jaren, terwijl de Staatssecretaris erkent dat de belanghebbende belang heeft bij vermijding van nog vele jaren onzekerheid over het verdampt of benut zijn van haar verlies. Ik meen dat het Hof in die omstandigheden terecht heeft geoordeeld dat de belanghebbende voldoende actueel belang heeft bij een rechterlijke uitspraak over die vraag ter zake van het belastingjaar 2016.
matchingvan kosten en opbrengsten, heeft een omslagstelsel voor pensioenverplichtingen in eigen beheer geen pluspunten Daar komt bij dat ‘omslag’ een zeker aantal werknemers van verschillende leeftijden veronderstelt aan wie in eigen beheer pensioen wordt toegezegd. Dat laatste bezwaar is overigens weg als men het door de belanghebbende gewenste stelsel ‘kasstelsel’ noemt. Wat daarvan zij: bij slechts één werknemer is omslag noch temporele
matchingmogelijk. Op basis van het
matching-beginsel zouden de verwachte pensioenlasten voor belanghebbendes bestuurder zoveel mogelijk ten laste moeten komen van de jaren waarin haar bestuurder zijn arbeidsprestaties ten behoeve van de belanghebbende levert.
salarisvolgt uit met name HR
BNB1956/231 en
BNB2011/85 dat het
matching-beginsel dwingt tot toerekening aan het desbetreffende arbeidsjaar. U maakt dus kennelijk onderscheid tussen
salarisverplichtingen en
pensioenverplichtingen, want ook toen u zulke
salarismatchingjurisprudentie al had gewezen, oordeelde u in HR
BNB1969/80 toch nog dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het niet-passiveren van in eigen beheer bestaande pensioenverplichtingen. De verklaring daarvoor kan zijn dat van verschuldigd salaris vast staat dat het hoe dan ook uitbetaald zal moeten worden, ongeacht overlijden van de (ex-)werknemer (onvoorwaardelijke schuld), terwijl pensioenverplichtingen in eigen beheer voorwaardelijke aanspraken zijn waartegenover ‘sterftemeevallers’ kunnen staan (de werknemer moet de 67 en verder nog wel halen), al lijkt het mij statistisch en daarmee actuarieel niet verantwoord om van dergelijke meevallers uit te gaan. Dat HR
BNB1969/80 beslissend verschilt van onze zaak omdat het in die zaak niet om één, maar om 100 werknemers ging, betwijfel ik, gegeven het abstracte en algemene karakter van uw aanvaarding van het omslagstelsel en gegeven dat het in het eerdere arrest HR
BNB1953/146 ook om de pensioenverplichting jegens één directeur ging (al waren er meer) en uw aanvaarding van het omslagstelsel ook in die zaak abstract en algemeen luidde.
BNB1993/7 (een kapitaaldekkingsstelsel kan niet in één keer ook voor het verleden alsnog ingevoerd worden, maar alleen voor de toekomst) lijkt mij niet concludent, nu onze zaak niet gaat over het alsnog in één keer passiveren van in eerdere arbeidsjaren niet-gepassiveerde pensioenverplichtingen, maar – omgekeerd - over de vrijval van een voorziening. Die lijkt mij inherent lijkt aan de overstap van kapitaaldekking naar kasstelsel.
BNB1969/80 en daarmee het omslagstelsel achterhaald? Moeten
pensioenverplichtingen inmiddels fiscaal-comptabel op dezelfde wijze temporeel
matchedworden als
salarisverplichtingen? HR
BNB2001/1 ging over uitgesteld
salaris, maar stelde abstract en algemeen dat juridisch afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichtingen
moetenworden gepassiveerd. De litigieuze pensioenverplichting in eigen beheer lijkt mij zowel juridisch afdwingbaar, zij het pas na vervulling van de voorwaarde van overleven, als voldoende bepaalbaar. Het verschil tussen een pensioenverplichting in eigen beheer (voorwaardelijke aanspraak) en een verplichting tot uitbetaling van reeds verschuldigd maar nog niet betaald salaris (onvoorwaardelijke schuld) lijkt mij voor een goede en dus voorzichtige en realistische koopman geen grond om in het eerste geval de vrijheid te voelen om niet te voorzien en in het laatste geval steeds de verplichting te voelen tot passivering. Ik acht HR
BNB1969/80 daarom achterhaald. Voor zover een goede koopman nog pensioenverplichtingen in eigen beheer heeft (gegeven de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer), passiveert hij die verplichtingen op actuariële basis. Dat impliceert dat voor zover er nog pensioenverplichtingen in eigen beheer bestaan die niet zijn gepassiveerd, overstap naar kapitaaldekking verplicht is. Ik acht daarom middel I gegrond. Aan middel II kom ik dan niet toe, maar ik ga er volledigheidshalve op in.
alshet kasstelsel is toegestaan, art. 3.29 Wet IB 2001 niet relevant is. De Staatssecretaris meent dat art. 3.29 Wet IB 2001 voor
elke“pensioenverplichting” actuariële kapitaaldekking voorschrijft. De tekst van art. 3.92 Wet IB 2001 dwingt echter geenszins tot die conclusie. Eerder integendeel, zoals uit het woord “waardering” volgt. Waardering kan immers niet aan de orde kan zijn in een kasstelsel. Naar zijn strekking beoordeeld, kan met art. 3.29 Wet IB 2001 evenmin bedoeld zijn het omslag/kasstelsel te verbieden. De initiatief-wetgever had slechts een budgettaire bedoeling, nl. dekking te vinden voor lastenverlichting. De initiatiefnemers wilden met name de lineaire methode van kapitaaldekking buiten goed koopmansgebruik plaatsen omdat die methode huns inziens teveel toekomstige pensioenlasten naar het nu haalde. Over een kasstelsel zegt die bedoeling niets, maar een kasstelsel past wel bij wat de initiatiefnemers wilden (lasten naar de toekomst verplaatsen) en zou dus denkelijk niet op bewaar hunnerzijds zijn gestuit; eerder integendeel. Ook als men de tekst van art. 3.29 Wet IB aldus zou lezen dat het “algemeen aanvaarde actuariële grondslagen” eist (men gaat dan voorbij aan de term “waardering”), waar nihilwaardering niet aan voldoet, blijft staan dat nihilwaardering wel degelijk strookt met de budgettaire strekking van die bepaling. Uit HR
BNB2016/14 volgt dat art. 3.29 Wet IB 2001 kan leiden tot zowel lagere dotatie als vrijval, dus aan een vrijval zoals de door de belanghebbende gewenste staat die bepaling niet in de weg. Art. 3.29 Wet IB 2001 is een inbreuk op goed koopmansgebruik. Ik meen dat bepalingen die goed koopmansgebruik of andere algemene beginselen van belastingheffing ten nadele van de belastingplichtige uitschakelen, niet extensief kunnen worden uitgelegd maar beperkt moeten worden tot de expliciet door de wetgever bedoelde (mate van) afwijking van goed koopmansgebruik.
Alshet omslagstelsel goed koopmansgebruik is - wat mijns inziens dus niet het geval is - maakt art. 3.29 Wet IB er mijns inziens geen inbreuk op en strandt middel II. Dat de schatkist uiteindelijk waarschijnlijk minder ontvangt bij toestaan dan bij weigeren van de litigieuze stelselwijziging, zit niet zozeer in de stelselwijziging als wel in vermijding van verliesverdamping. Dat kan de belanghebbende mijns inziens niet worden tegengeworpen omdat de beperking van de voorwaartse verliesverrekening een budgettair gemotiveerde inbreuk op het totale-winstbegrip was om grondslagverbreding tegenover tariefverlaging te kunnen zetten. De Staatssecretaris heeft de Eerste Kamer bovendien toegezegd geen bezwaar te maken tegen een stelselwijziging ter voorkoming van verliesverdamping, mits die wijziging verenigbaar is met goed koopmansgebruik en mits het gaat om eigen verlies.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
geschilis of de belanghebbende per 2016 haar pensioenlastenstelsel mag wijzigen van een kapitaaldekkingsstelsel (passivering van aan het jaar toerekenbare verwachte toekomstige pensioenlasten) in een omslagstelsel (pensioenlasten gaan elk jaar rechtstreeks de winst- en verliesrekening in).
Rechtbank [1] heeft ambtshalve de ontvankelijkheid van belanghebbendes beroep beoordeeld omdat de vraag rees of de belanghebbende wel een procesbelang heeft, nu ongeacht welke partij gelijk heeft, de aanslag op nihil blijft staan. De indiener van een rechtsmiddel heeft in beginsel geen belang als dat rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen voor wat betreft het bestreden besluit en eventuele nevenvorderingen. De belanghebbende heeft volgens de Rechtbank belang bij haar beroep omdat de uitspraak op bezwaar geen beslissing bevat over de proceskosten, maar meent dat de belanghebbende met betrekking tot de aanslag niet in een betere positie kan komen. Ongeacht welk bedrag aan winst wordt verrekend met het in 2016 nog openstaande verlies 2007, het belastbare bedrag blijft € 0 en het resterende verlies 2007 verdampt, aldus de Rechtbank. Zij heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.
Hof [2] overweegt dat belanghebbendes grieven ook zien op de verliesverrekenings-beschikking 2016. Anders dan in HR
BNB2017/203 (zie 5.3), gaat het in casu niet om voorkoming van een verlies om toekomstige verliesverdamping te vermijden, maar om een daadwerkelijk eind 2016 verdampend verlies als het in 2016 niet wordt verrekend, terwijl beoordeling van de stelselwijziging in een later jaar niet meer kan leiden tot verrekening van eventuele vrijval van de pensioenvoorziening met verliezen uit eerdere jaren. Het Hof meent daarom dat de belanghebbende voldoende procesbelang heeft. Ten gronde meent hij op basis van HR
BNB1969/80 (zie 6.4) dat passivering van de pensioenverplichting is toegestaan volgens goed koopmansgebruik, maar dat ook toegestaan is dat de premies voor of de uitkering van pensioenen ten laste komen van de winst van het jaar waarin die premies of uitkeringen worden betaald (omslagstelsel). Art. 3.29 Wet IB 2001 doet daar volgens het Hof niet aan af omdat die bepaling niet verplicht tot passivering, maar slechts bepaalt dat
alswordt gepassiveerd, actuariële grondslagen en een rekenrente van minimaal 4% moeten worden gebruikt. Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep daarom gegrond verklaard en haar belastbare winst 2016 verhoogd tot € 551.206, conform aangifte.
NLF2021/2370) acht de Hofuitspraak onjuist omdat hij een omslagstelsel onverenigbaar acht met goed koopmansgebruik (ik laat voetnoten weg):
NTFR2022/225) is kritisch:
BNB1953/146). Dit was ook het uitgangspunt van de Hoge Raad in zijn arrest van 29 januari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AX589, waarin hij het omslagstelsel sanctioneerde. Dit is hetzelfde arrest waarnaar belanghebbende ter onderbouwing van zijn standpunt verwees in deze procedure. Ik laat dit onderwerp voor wat het is. Het is immers geen geschil in deze procedure. Ik wijs er uitsluitend op dat over dit onderwerp verschillend kan worden gedacht, ook door ons hoogste rechtscollege (zie ook
BNB1956/335,
BNB1990/326 en
BNB1994/108).
Belastingadvies2022/13.5) acht de kans reëel dat u het omslagstelsel niet (meer) accepteert als goed koopmansgebruik. Ook hij wijst er op dat het arrest HR
BNB1969/80 waarop de belanghebbende en het Hof zich baseren, óók inhield dat een spiegelbeeldige stelselwijziging (van omslag naar kapitaaldekking) alleen voor de toekomst kon gelden:
3.Het geding in cassatie
BNB2001/1 volgt volgens de Staatssecretaris dat voor een voldoende bepaalbare juridisch afdwingbare verplichting zoals de litigieuze pensioenverplichting een voorziening
moetworden gepassiveerd, en uit HR
BNB2011/85 volgt volgens hem dat salarislasten in beginsel moeten worden toegerekend aan de jaren waarin de werknemer de beloonde arbeid verricht. Omslag leidt juist tot toerekening van die lasten aan de jaren waarin geen arbeid meer wordt verricht. De Staatssecretaris acht HR
BNB1969/80, waarop het Hof zich heeft gebaseerd, achterhaald of niet relevant omdat (i) het dateert van vóór invoering van art. 9b Wet IB 1965, dat verplicht tot waardering van pensioenverplichtingen op basis van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen (waaronder niet valt het omslagstelsel); (ii) het in die zaak ging om circa 100 werknemers en niet om slechts één werknemer; en (iii) u in dat arrest niet toestond dat het gehele waarderingsverschil tussen het omslag- en kapitaaldekkingsstelsel in de jaarwinst van het wijzigingsjaar werd verwerkt.
BNB2014/122 (zie 5.2) en HR
BNB2017/203 (zie 5.3) volgt volgens hem dat de belanghebbende dan geen belang heeft bij het door haar ingestelde beroep. In het eerste jaar waarin de belanghebbende een pensioenuitkering ten laste van haar winst- en verliesrekening brengt in plaats van ten laste van de voorziening, kan zij duidelijkheid krijgen over de fiscale houdbaarheid van haar standpunt, aldus de Staatssecretaris, zodat er geen rechtstekort bestaat. Hij geeft wel toe dat de belanghebbende dan wel erg lang op rechtszekerheid moet wachten.
verweerbetoogt de belanghebbende ad middel I dat het voorbijgaat aan het eenvoudbeginsel, dat met name van belang is als het – zoals in casu – gaat om een kleine pensioenvoorziening van één directeur-grootaandeelhouder (DGA). Bovendien is het niet 100% zeker dat de pensioenovereenkomst tot pensioenuitkeringen leidt. De pensioenverplichting wordt pas een schuld als de pensioengerechtigde de pensioenleeftijd haalt. Van een schuld is dus nog geen sprake, en het al dan niet voorzien voor die toekomstige schuld is aan de ondernemer, zodat voorzien niet een verplichting kan zijn, aldus de belanghebbende. Zij bestrijdt dat een omslagstelsel het realiteitsbeginsel zou schenden. Zij acht het verschil tussen één of meer pensioengerechtigden niet relevant. Dat de stelselwijziging niet tot vrijval van de voorziening kan leiden omdat die wijziging niet terugwerkt, kan zij niet volgen.
BNB2021/140, waarin hij de ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid in eerdere instanties heeft afgeschaft.
4.De beperking van de carry forwardvan verliezen
carry back, met als consequentie een verdere beperking van de
carry forwardvan verliezen tot zes in plaats van negen jaren. De Staatssecretaris heeft bij de behandeling van dat wetsvoorstel toegezegd geen bezwaren op te zullen werpen tegen stelselwijzigingen met het oog op voorkoming van verliesverdamping: [6]
5.Point d’intérêt, point d’action (middel III)
BNB2006/73: [7]
BNB2014/122 [8] overwoog u dat het belang van de inspecteur bij een rechtsmiddel kan liggen in een hogere aanslag en/of een lager verlies:
BNB2017/203 [9] heeft u deze benadering uitgewerkt voor verliesvaststellings-beschikkingen en merkte u van ambtswege het onderstaande op over belang bij rechtsmiddelgebruik:
BNB2017/203 als volgt (ik laat voetnoten weg):
NTFR2015/1560:
BNB2017/203 (zie 5.3 hierboven) leert dat bezwaar en beroep slechts kunnen strekken tot verlaging van de aanslag of verhoging van het bij verlies
vaststellingsbeschikking vastgestelde bedrag. Het Hof heeft overwogen dat de belanghebbende op die basis geacht moet worden geen procesbelang te hebben omdat haar standpunt niet strekt tot een lagere aanslag 2016 of een hogere verliesvaststelling 2016. Het Hof heeft echter ook geconstateerd dat zij wel degelijk belang heeft bij voorkoming van verliesverdamping en daarmee bij een hogere verliesverrekening in 2016, zodat zij belang heeft bij rechtsmiddelen tegen de verlies
verrekeningsbeschikking.
BNB2017/203 dat “de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep slechts kunnen strekken tot verlaging van de bestreden aanslag onderscheidenlijk verhoging van het bij de verliesvaststellingsbeschikking vastgestelde bedrag” zwijgt over verlies
verrekeningsbeschikkingen en rechtszekerheid en het Hof heeft onbestreden vastgesteld (r.o. 4.7) dat “de grieven van belanghebbende (mede) betrekking [hebben] op de verliesverrekeningsbeschikking (…) 2016.” Het Hof heeft mijns inziens verder terecht overwogen dat in casu een verlies daadwerkelijk verdampt als het in 2016 niet wordt verrekend, en dat beoordeling van de stelselwijziging in een volgend jaar niet meer kan leiden tot verrekening van de eventuele voorzieningsvrijval met de verliezen uit eerdere jaren. De Staatssecretaris erkent dat de belanghebbende in elk geval belang heeft bij het vermijden van nog vele jaren van onzekerheid over de vraag of de litigieuze verliezen verdampt of benut zijn.
Is een kasstelsel voor een pensioenverplichting in eigen beheer goed koopmansgebruik? (middel I)
BNB1953/146 [16] oordeelde u dat goed koopmansgebruik toelaat dat de pensioenverplichting jegens één directeur niet wordt gepassiveerd:
BNB1956/231 [17] oordeelde u dat voor de contante waarde van (een deel van de) toekomstige premies voor de pensioenen van de directeuren van de belanghebbende geen voorziening kon worden gepassiveerd omdat die premies ten laste moesten komen van het jaar waarin zij werden betaald en de directeuren hun desbetreffende arbeid leverden:
BNB1957/207 [18] betrof een overname van pensioenverplichtingen. U herhaalde dat het omslagstelsel voor pensioenverplichtingen strookt met goed koopmansgebruik:
BNB1969/80 [19] overwogen dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het achterwege laten van passivering van pensioenverplichtingen. Ook dit arrest ging over de overstap van omslag naar kapitaaldekking voor pensioenverplichtingen en ook in dit arrest overwoog u dat beide stelsels zijn toegestaan, maar dat er bij overstap wel een cesuur valt tussen verleden (omslag) en heden/toekomst (kapitaaldekking):
BNB1969/80) was het niet eens met uw afwijzing van het na stelselwijziging ook passiveren van de in het verleden al ontstane pensioenverplichtingen, en volgens hem was ook een ‘koor van dissidente schrijvers’ het met u oneens:
BNB1993/7 [20] herhaalde u ondanks de kennelijke kritiek in de literatuur wat al uit de boven (5.1 en 5.4) aangehaalde arresten HR
BNB1953/146 en HR
BNB1969/80 (zie 6.4) volgde, nl. dat een kapitaaldekkingsstelsel niet mede voor het verleden kan worden ingevoerd, zodat niet ineens alsnog voor de in het verleden ontstane pensioenverplichtingen gepassiveerd kan worden bij de overstap van een omslagstelsel naar een kapitaaldekkingsstelsel:
BNB2001/1 [21] lijkt u het kasstelsel ter zake van reeds verschuldigd
salarisvrij terloops onaanvaardbaar te verklaren, maar die overweging is zo ruim geformuleerd dat zij ook voor pensioenverplichtingen in eigen beheer zou kunnen gelden. De belanghebbende BV had voor het eerst ultimo 1993 een RUS (reserve uitgesteld salaris) gepassiveerd voor uitgesteld salaris van haar DGA over 1989 t/m 1992 dat in de algemene aandeelhoudersvergaderingen 1992 en 1993 was vastgesteld. Bij overeenkomst van 29 december 1993 werd pas bepaald op welke data dat uitgestelde salaris alsnog zou worden betaald. In geschil was de passiveerbaarheid van de RUS 1989 t/m 1992. U overwoog:
BNB2001/1 ambtshalve betoogd dat goed koopmansgebruik verplichtte tot passivering van de contante waarde van de uitgestelde salarissen (ik laat voetnoten weg):
BNB1957/290. Dit uitgangspunt veronderstelt evenwel dat het loon in het jaar waarin de arbeid is verricht ook verschuldigd is geworden, of ten minste - na HR 26 augustus 1998,
BNB1998/409 (het zgn. baksteenarrest) - dat in het jaar waarin de arbeid is verricht, op andere gronden een redelijke mate van zekerheid is ontstaan dat het loon nadien zal worden betaald.
V-N2000/36.7 achtte het “minder gelukkig” dat u zonder enige toelichting overwoog dat goed koopmansgebruik verplichtte tot passivering van het uitgestelde salaris:
BNB2011/85 [23] heeft u het
salaris-jaar-matchingbeginsel herhaald. Mede op grond van het eenvoudsbeginsel was ook een seniorenverlofregeling voor werknemers geen aanleiding om - ten gunste van de belastingplichtige - af te wijken van het salaris/jaar-
matchingbeginsel:
BNB1956/231). Immers, in beginsel mag ervan worden uitgegaan dat de salarislasten van een jaar betrekking hebben op de in dat jaar door de werknemer verrichte arbeidsprestaties.
BNB1969/80 (zie 6.4 hierboven) ten tijde van dat arrest al moeilijk te verenigen was met andere rechtspraak die toen al verplichtte tot passivering van bestaande verplichtingen en tot
matchingvan arbeidsloon en arbeidsprestatie binnen hetzelfde jaar:
matchingvan kosten en opbrengsten, heeft een omslagstelsel voor pensioenverplichtingen in eigen beheer geen deugden. Werknemers plegen hun pensioendatum (67) te overleven, mannen gemiddeld met 13 jaar en vrouwen met 16 jaar. [32] Daar komt bij dat een ‘omslag’ een zeker aantal (ex)werknemers van verschillende leeftijden veronderstelt aan wie pensioen in eigen beheer is toegezegd. Dat laatste bezwaar is weg als men het stelsel – mijns inziens om meer redenen correcter [33] – ‘kasstelsel’ noemt in plaats van ‘omslagstelsel’, maar wat daarvan zij: bij slechts één werknemer is omslag noch temporele
matchingmogelijk: één persoon kan immers niet tegelijkertijd wel en niet gepensioneerd zijn. Zoals Stevens al opmerkte (zie 6.13), heeft het omslag/kasstelsel voor pensioenverplichtingen alleen bezien vanuit het eenvoudsbeginsel deugden.
matching-beginsel eist dat kosten zoveel mogelijk ten laste komen van het jaar waarin de opbrengsten worden verantwoord met het oog waarop die kosten worden gemaakt. [34] Vanuit dat oogpunt bezien zouden de verwachte pensioenlasten ter zake van belanghebbendes bestuurder zoveel mogelijk ten laste moeten komen van de jaren waarin haar bestuurder zijn arbeidsprestaties ten behoeve van de belanghebbende levert.
salarisvolgt uit met name de boven geciteerde arresten HR
BNB1956/231 (6.2) en
BNB2011/85 (6.10) dat het
matching-beginsel dwingt tot toerekening aan het desbetreffende arbeidsjaar. U maakt dus kennelijk onderscheid tussen
salarisverplichtingen en
pensioenverplichtingen, want ook toen u al salarismatching-jurisprudentie had gewezen, waaronder HR
BNB1956/231, oordeelde u in HR
BNB1969/80 (zie 6.4) nog - tegen de andersluidende literatuur in - dat goed koopmansgebruik zich niet verzet tegen het niet-passiveren van al bestaande pensioenverplichtingen. Zoals al opgemerkt (6.14), kan de verklaring daarvoor zijn dat van verschuldigd salaris vast staat dat het hoe dan ook uitbetaald zal moeten worden, ongeacht overlijden van de (ex-)werknemer, terwijl van pensioenverplichtingen nog niet zeker is dat zij tot uitgaven zullen leiden.
BNB1969/80 beslissend verschilt van onze zaak omdat het in HR
BNB1969/80 niet om één, maar om 100 werknemers ging, zoals de Staatssecretaris stelt, valt mijns inziens te betwijfelen, gegeven het abstracte en algemene karakter van uw aanvaarding van het kasstelsel (zie 6.4 hierboven) en gegeven dat het ook in HR
BNB1953/146 (zie 6.1) om de pensioenverplichting jegens één directeur ging (al waren er meer) en uw aanvaarding van het omslagstelsel ook in die zaak abstract en algemeen luidde.
BNB1993/7 (6.6: een kapitaaldekkingsstelsel kan niet in één keer ook voor het verleden alsnog ingevoerd worden, maar alleen voor de toekomst) lijkt mij niet concludent, nu onze zaak niet gaat over het alsnog in één keer passiveren van in eerdere arbeidsjaren niet-gepassiveerde pensioenverplichtingen, maar – omgekeerd - over de vrijval van een voorziening die mij inherent lijkt aan de overstap van kapitaaldekking naar een kasstelsel. Overigens lijkt mij dat Van Dijck (zie 6.5 hierboven) terecht betoogde dat ook bij de omgekeerde overstap van omslag naar kapitaaldekking de aan het einde van het eerste jaar te passiveren post principieel alleen maar bepaald kan worden (wél) met inachtneming van alle reeds verstreken arbeidsjaren van werknemers jegens wie toen al pensioenverplichtingen bestonden.
BNB1969/80 en daarmee het omslagstelsel achterhaald? Moeten
pensioenverplichtingen fiscaal-comptabel inmiddels - volgens de voorzichtigheids- en
matching-beginselen – op dezelfde wijze verwerkt worden als (over de boekjaargrens heen gaande)
salarisverplichtingen? HR
BNB2001/1, dat verplichte tot passivering van een RUS (zie 6.7), luidde abstract en algemeen: juridisch afdwingbare en voldoende bepaalbare verplichtingen
moetenworden gepassiveerd. Pensioenverplichtingen gebaseerd op een concrete pensioenbrief van de werkgever aan de werknemer of bij arbeidsovereenkomst vastgelegd lijken mij zowel juridisch afdwingbaar als voldoende bepaald of bepaalbaar. Het enige verschil met reeds verschuldigd salaris is, zoals opgemerkt, dat een nog niet ingegane pensioenverplichting inherent voorwaardelijk is: de pensioentoezeggeling moet de pensioengerechtigde leeftijd nog wel halen. En ook als zij die leeftijd heeft gehaald, kan zij nog steeds de volgende dag overlijden, waardoor de verplichting verdwijnt. HR
BNB2001/1 ging niet over pensioentoezeggingen, noch over de aanvaardbaarheid van een kasstelsel daarvoor, maar over in eerdere jaren al verschuldigd geworden salaris waarvan vast stond dat het hoe dan ook uitbetaald zou moeten worden, zij het dat pas eind 1993 kwam vast te staan op welk moment.
BNB1969/80 daarom achterhaald. Voor zover een goede koopman nog pensioenverplichtingen in eigen beheer heeft (gegeven de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer), zal hij die verplichtingen op actuariële basis passiveren. Dat impliceert dat voor zover er nog pensioenverplichtingen in eigen beheer bestaan die niet zijn gepassiveerd, stelselwijziging naar kapitaaldekking verplicht is. Ik herhaal dat ik met Van Dijck (zie 6.5 hierboven) meen dat zo’n wijziging, voor zover nog bestaanbaar nu de genoemde Wet uitfasering geldt, niet slechts voor de toekomst zou moeten gelden, maar ook voor alle al verstreken arbeidsjaren van de werknemers jegens wie pensioentoezeggingen zijn gedaan ter zake van die jaren.
7.De waarderingsregel van art. 3.29 Wet IB 2001 (middel II)
BNB1972/26 [38] (“coming backservice”) is in 1974 het wetsvoorstel “Verdeling over opvolgende jaren van bedrijfslasten die verband houden met toekomstige wijzigingen in lonen of prijzen” [39] ingediend. Dat voorstel leidde in 1975 tot invoering van art. 9a Wet IB 1964, [40] dat kort gezegd bepaalde dat bij het bepalen van de pensioenlasten van een bepaald jaar geen rekening mocht worden gehouden met na dat jaar verwachte loon- of prijsstijging. Dat wetsvoorstel ging niet over de lineaire opbouwmethode.
BNB1980/274, [42] waarin u u niet overtuigd toonde:
BNB2000/282 moet de waardering van pensioenverplichtingen voldoen aan zowel art. 9b Wet IB 1964 (nu art. 3.29 Wet IB 2001)
alsgoed koopmansgebruik: [73]
BNB2016/14 dat art. 3.29 Wet IB 2001 zowel tot lagere dotaties aan een pensioenvoorziening kan leiden als tot gedeeltelijke vrijval van een bestaande voorziening: [74]
elke“pensioenverplichting” actuariële kapitaaldekking (met rekenrente 4%) voorschrijft. De tekst van art. 3.92 Wet IB 2001 dwingt echter geenszins tot die conclusie. Eerder integendeel, gezien de term “waardering”. Waardering kan immers niet aan de orde kan zijn in een kasstelsel. Naar zijn strekking beoordeeld, kan met art. 3.29 Wet IB 2001 evenmin bedoeld zijn het kasstelsel te verbieden. Zoals boven bleek (zie onderdeel 6.6 van de in 7.3 geciteerde conclusie), zou de initiatief-wetgever het omslagstelsel denkelijk geenszins bezwaarlijk hebben gevonden, gegeven zijn slechts budgettaire bedoeling met art. 3.29 Wet IB 2001 (art. 9b Wet IB 1964) om dekking te vinden voor waar het hem om te doen was (lastenverlichting elders). De initiatiefnemers wilden met name de lineaire methode van kapitaaldekking buiten goed koopmansgebruik plaatsen omdat die methode toekomstige pensioenlasten huns inziens teveel naar het nu haalde. Over het omslagstelsel zegt die bedoeling mijns inziens niets, maar dat stelsel doet wel juist wat de initiatiefwetgevers wilden.
BNB2016/14 (zie 7.7 hierboven) volgt verder dat art. 3.29 Wet IB 2001 kan leiden tot zowel lagere dotatie als vrijval, zodat die bepaling niet aan een vrijval zoals de door de belanghebbende gewenste in de weg staat. U constateerde in dat arrest dat art. 3.29 Wet IB 2001 tot gevolg heeft dat in strijd met goed koopmansgebruik “een pensioenlast slechts in aanmerking mag worden genomen tot een bedrag dat lager is dan het volgens die [voorzichtigheids- en realiteits-; PJW] beginselen van goed koopmansgebruik zou moeten zijn”. Ik meen (zie ook het citaat in 7.8 hierboven) dat wettelijke bepalingen die goed koopmansgebruik of andere algemene beginselen van belastingheffing ten nadele van de belastingplichtige uitschakelen, niet extensief kunnen worden uitgelegd, maar beperkt moeten worden tot de expliciet door de wetgever bedoelde (mate van) afwijking van goed koopmansgebruik.