ECLI:NL:PHR:2000:AA8309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over toepassing artikel 16 Wet IB 1964 bij verbreking fiscale eenheid en emigratie pensioenvennootschappen
In deze zaak staat centraal de toepassing van artikel 16 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB 1964) in het kader van de fiscale eenheid en de emigratie van dochtervennootschappen die pensioenverplichtingen beheren. Belanghebbende, een BV die samen met dochtermaatschappijen een fiscale eenheid vormt, heeft pensioenvoorzieningen in eigen beheer. Twee dochtervennootschappen namen deze verplichtingen over en verhuisden hun feitelijke leiding naar Curaçao, waarna zij uit de fiscale eenheid traden.
De Inspecteur stelde dat het verschil tussen de pensioenvoorziening en de waarde in het economische verkeer per 31 december 1994 tot de belastbare winst van belanghebbende moest worden gerekend. Het Hof Amsterdam stelde belanghebbende in het gelijk, waarna de Staatssecretaris beroep in cassatie instelde. De Hoge Raad bevestigt dat artikel 16 Wet Pro IB 1964 niet automatisch leidt tot een eindafrekening bij ontvoeging van dochtermaatschappijen binnen een fiscale eenheid, omdat de regeling van de fiscale eenheid zich daartegen verzet.
Verder overweegt de Hoge Raad dat bij emigratie van een vennootschap of het verplaatsen van een deel van de onderneming naar het buitenland, artikel 16 Wet Pro IB 1964 in beginsel een eindafrekening kan vereisen, maar dat dit niet geldt indien de onderneming nog (deels) binnen Nederland belastbare winst geniet. De Hoge Raad benadrukt dat een partiële eindafrekening alleen mogelijk is indien de belastingplichtige ophoudt uit die onderneming in Nederland belastbare winst te genieten, en dat dit niet zonder meer het geval is bij ontvoeging van dochtermaatschappijen binnen een fiscale eenheid. De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het middel van de Staatssecretaris ongegrond is en het beroep verworpen moet worden.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt verworpen; artikel 16 Wet IB 1964 is niet van toepassing bij ontvoeging van dochtermaatschappijen binnen een fiscale eenheid.