ECLI:NL:PHR:2000:AA9140
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over terugvordering bijstandskosten van verzwegen partner bij gezinsbijstand
In deze zaak stond centraal of de gemeente de kosten van ten onrechte verstrekte bijstand mede kon terugvorderen van de partner van een bijstandsontvanger die een gezamenlijke huishouding voerde zonder dit te melden. De vrouw ontving bijstand naar de norm voor een éénoudergezin, maar de gemeente stelde dat zij samenwoonde met een partner, wat niet was opgegeven. De kantonrechter en rechtbank hadden de terugvordering tegen beiden toegewezen.
De Hoge Raad overwoog dat volgens eerdere rechtspraak terugvordering van de partner op grond van art. 59a lid 2 ABW niet mogelijk is indien de bijstand als gezinsbijstand is verleend. Dit volgt uit het legaliteitsbeginsel: er moet een duidelijke wettelijke grondslag zijn voor terugvordering. De wetgever had dit in latere wetgeving proberen te repareren, maar de Hoge Raad hield vast aan de eerdere lijn.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en verwees de zaak terug naar het hof. Hiermee werd bevestigd dat terugvordering van de verzwegen partner niet mogelijk is voor perioden waarin de bijstand als gezinsbijstand is verleend.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en verwijst de zaak terug naar het hof wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor terugvordering van bijstandskosten van de verzwegen partner.