ECLI:NL:PHR:2001:AB0700
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad arrest over uitleg en reikwijdte van pari passu-recht bij obligatielening DAF N.V.
Deze zaak betreft een geschil over de uitleg van het pari passu-recht in de context van een obligatielening van DAF N.V. uit 1988. NTM, als trustee, en andere partijen vorderen dat obligatiehouders gerechtigd zijn tot de opbrengst van zekerheden die door groepsmaatschappijen van DAF N.V. aan Ofasec zijn verstrekt. De kern van het geschil draait om de vraag of het pari passu-recht ruim dan wel eng moet worden uitgelegd en of de dochtermaatschappijen zich hebben verbonden tot het verstrekken van zekerheden mede ten behoeve van de obligatiehouders.
De rechtbank wees de vordering af, stellende dat het pari passu-recht slechts betrekking had op DAF N.V. zelf. Het hof kwam tot een ander oordeel en oordeelde dat het pari passu-recht ruim moet worden uitgelegd, mede gelet op de gehele prospectus en de omstandigheden van de lening, en dat de dochtermaatschappijen zich hebben verbonden tot het verstrekken van zekerheden mede ten behoeve van de obligatiehouders.
In cassatie wordt het hofarrest uitvoerig bestreden, met name over de uitleg van het pari passu-recht, de rol van de prospectus versus de trustakte, de positie van latere verkrijgers, en de vraag of de dochters zich daadwerkelijk hebben verbonden. De Hoge Raad bevestigt dat de uitleg moet uitgaan van het perspectief van de oplettende belegger en dat het hof terecht het pari passu-recht ruim heeft uitgelegd. Ook oordeelt de Hoge Raad dat de dochters zich door de ondertekening van de Facilities Agreement en de Accession Notice hebben verbonden tot zekerheidstelling mede ten behoeve van de obligatiehouders.
De uitspraak heeft grote betekenis voor de uitleg van financiële instrumenten en zekerheidsrechten binnen concernverhoudingen, waarbij de belangen van obligatiehouders en andere financiers worden beschermd tegen mogelijke benadeling door beperkte interpretaties van contractuele rechten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat obligatiehouders mede gerechtigd zijn tot zekerheden verstrekt door dochtermaatschappijen van DAF N.V. op grond van een ruime uitleg van het pari passu-recht.