ECLI:NL:PHR:2001:AB1458
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijke termijn en ontnemingsmaatregel in strafzaak
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beslissing van het gerechtshof te ’s-Gravenhage waarbij verzoeker werd veroordeeld tot betaling van ƒ 90.000,- aan de Staat, subsidiair 300 dagen hechtenis. Verzoeker stelde dat de redelijke termijn was overschreden, aangezien de procedure bijna zes jaar duurde vanaf zijn inverzekeringstelling in april 1995.
De Procureur-Generaal betoogde dat het aanvangstijdstip van de redelijke termijn in ontnemingszaken in principe samenvalt met dat van de strafzaak. In dit geval werd dit tijdstip vastgesteld op 28 februari 1995, de dag van huiszoeking en conservatoir beslaglegging. Het eindpunt werd gesteld op 31 oktober 2000, de datum van behandeling door de Hoge Raad. De totale duur van vijf jaar en tien maanden werd niet als schending van de redelijke termijn beschouwd.
Wel werd erkend dat in de cassatiefase een overschrijding van de redelijke termijn had plaatsgevonden tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad, namelijk acht maanden en drie weken. Deze overschrijding werd echter als beperkt beoordeeld, zodat een vermindering van het te betalen bedrag met 10% (ƒ 9.000,-) passend werd geacht. Het aantal dagen vervangende hechtenis bleef ongewijzigd.
Verder werden klachten over de verwijzing naar het vonnis van de rechtbank in plaats van het arrest van het hof in de hoofdzaak afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Ook werd het verweer dat het hof niet had gereageerd op een draagkrachtverweer verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden bedrag en oplegging van een verminderd bedrag van ƒ 81.000,- aan de Staat, met behoud van de rest van de uitspraak.
Uitkomst: Het opgelegde bedrag ter ontneming wordt verminderd tot ƒ 81.000,-, met behoud van de rest van de uitspraak.