ECLI:NL:PHR:2001:AB2240
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid en motivering van machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis
Betrokkene verblijft sinds juni 1998 in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie verzocht in oktober 2000 om een machtiging tot voortgezet verblijf. De rechtbank verleende deze machtiging aanvankelijk voor een maand en hield de beslissing over het resterende tijdvak aan. Betrokkene werd meerdere malen niet persoonlijk gehoord voorafgaand aan de eerste beschikking, wat tot klachten leidde.
De Hoge Raad bespreekt of de rechter de machtiging mag splitsen in een gedeeltelijke toewijzing en gedeeltelijke aanhouding. De Raad bevestigt dat dit mogelijk is binnen de verzoekschriftprocedure en de Wet Bopz, mits de rechter binnen de wettelijke beslistermijn beslist. Ook wordt ingegaan op de hoorplicht en de voorwaarden waaronder een machtiging kan worden verleend zonder persoonlijk verhoor.
De klachten over de procedurele tekortkomingen en motivering van de machtiging worden afgewezen, mede omdat het tijdvak van de eerste beschikking verstreken was en betrokkene later wel persoonlijk is gehoord. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de eerste beschikking en verwerpt het voor het tweede deel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard voor de eerste beschikking en verworpen voor de tweede, waarmee de machtiging tot voortgezet verblijf wordt bevestigd.