Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
emergency cases),
“the individual concerned should not be deprived of his liberty unless he has been reliably shown to be of ‘unsound mind’. The very nature of what has to be established before the competent national authority – that is, a true mental disorder – calls for objective medical expertise”. [6] De Hoge Raad heeft in voormelde beschikking van 15 december 2006 dit vereiste aldus samengevat dat ‘vrijheidsbeneming van geesteszieken in beginsel slechts toelaatbaar is indien op deugdelijke wijze is aangetoond dat de betrokkene geestesziek is’. Kortom, er moet een voor de vrijheidsbeneming relevante stoornis van de geestvermogens vaststaan. De nationale wet noch de rechtspraak over art. 5, lid 1 onder e, EVRM stelt de eis dat ook de medisch-psychiatrische classificatie (DSM-classificatie) van de stoornis eenduidig wordt vastgesteld [7] . Het is dus mogelijk dat de psychiaters die de patiënt hebben onderzocht het erover eens zijn dát de patiënt aan een stoornis van de geestvermogens lijdt die betrokkene gevaar doet veroorzaken, maar onderling van mening verschillen over de juiste diagnose. Dat meningsverschil is van belang voor de wijze waarop de patiënt behandeld zal worden, maar is niet noodzakelijk van invloed op het antwoord op de vraag of de patiënt aan een stoornis lijdt en deze stoornis hem gevaar doet veroorzaken.
duurvan de voorlopige machtiging. Op grond van art. 10 lid 4 Wet Pro Bopz heeft een voorlopige machtiging een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden na haar dagtekening. Dit betekent dat de rechter ook een kortere duur dan zes maanden kan vaststellen.
informed consent), maar zich ook niet tegen de voorgestelde opname verzetten [11] . In de Wet Bopz bestaat wat betreft de opneming in verblijfsinstellingen voor psychogeriatrische patiënten en verstandelijk gehandicapten een driedeling:
informed consent). In geval van verzet dient, ook voor een psychogeriatrisch patiënt [14] , een voorlopige machtiging te worden aangevraagd om hem in een psychiatrisch ziekenhuis te kunnen doen opnemen. In dit geval gaat het om een persoon die met een inbewaringstelling was opgenomen en zich verzet tegen voortzetting van het verblijf. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat betrokkene slechts een beperkt ziekte-inzicht heeft. In de gegeven omstandigheden behoefde de rechtbank zich niet op grond van art. 8a Wet Bopz af te vragen of een andere maatregel dan de verzochte voorlopige machtiging niet passender zou zijn. Hier komt bij dat de procedure van art. 2 met Pro meer waarborgen omkleed is dan de art. 60-procedure. De klacht faalt. Indien met dit middelonderdeel is bedoeld te betogen dat, indien inderdaad sprake blijkt te zijn van dementie, opname in een psychogeriatrische instelling meer aangewezen is dan opname in een algemeen psychiatrisch ziekenhuis, verdient opmerking dat de bestreden beslissing van de rechtbank niet in de weg staat aan een overplaatsing; zie daarvoor art. 43 Wet Pro Bopz.