ECLI:NL:PHR:2001:AB2448
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over huurderschap en schadeloosstelling bij onteigening bedrijfsruimte
In deze zaak staat centraal of eiseres als huurder kan worden aangemerkt van een bedrijfsruimte die formeel op naam van betrokkene A stond, maar feitelijk door eiseres werd geëxploiteerd. De Rechtbank had geoordeeld dat eiseres geen huurder of onderhuurder was, ondanks dat zij het koffiehuis had gekocht en de huurbetalingen verrichtte. De Hoge Raad stelt dat de Rechtbank onbegrijpelijk heeft geoordeeld door enerzijds de door eiseres gestelde feiten als juist te aanvaarden, maar anderzijds te concluderen dat zij geen huurder was.
De Hoge Raad benadrukt dat de gemeente door haar handelen en het accepteren van huurbetalingen aan eiseres de schijn heeft gewekt dat zij als huurder werd erkend. Ook het ontbreken van een schriftelijke indeplaatsstelling staat niet in de weg aan het aannemen van huurderschap indien de verhuurder instemt of dit gedoogt. De Hoge Raad verwijst naar relevante wetsartikelen en eerdere jurisprudentie over indeplaatsstelling en schadeloosstelling bij onteigening.
Verder oordeelt de Hoge Raad dat eiseres ten onrechte niet als derde-belanghebbende in de onteigeningsprocedure is toegelaten en dat zij recht heeft op volledige schadeloosstelling voor de door haar geleden schade. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen voor nader feitelijk onderzoek naar de schade van eiseres.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van het huurrecht en het onteigeningsrecht, met name over de positie van feitelijke huurders en de reikwijdte van het vertrouwensbeginsel jegens de verhuurder.
Uitkomst: Het vonnis wordt vernietigd en de zaak terugverwezen voor nader onderzoek naar de schade van eiseres en toekenning van schadeloosstelling.