Uitspraak
[verweerster 1], weduwe van [verweerder 2],
[verweerder 2],
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een huurovereenkomst voor een horeca-bedrijf waarbij de huurder zijn gebruiksrechten heeft ingebracht in een door hem opgerichte naamloze vennootschap (NV). Hoewel de huurder de enige aandeelhouder en directeur van deze NV is, oordeelt de Hoge Raad dat het gebruik van het gehuurde aan een derde is overgedragen, wat in strijd is met artikel 1595, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek en de huurovereenkomst.
De huurder had zich verplicht zich als enige huurder te blijven gedragen en de aanwijzingen van de NV op te volgen, maar dit verandert niets aan het feit dat het gebruik feitelijk door de NV wordt uitgeoefend. Daarnaast heeft de huurder het woongedeelte verlaten, dat nu door zijn zoon en diens echtgenote wordt bewoond, wat ook een verandering in het gebruik betekent.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de huurovereenkomst terecht is ontbonden wegens wanprestatie. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de huurder geen beroep op huurbescherming kan doen, omdat hij het genot van het gehuurde niet meer bezit na ontbinding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt ontbinding van de huurovereenkomst wegens verboden afstand van het gebruik aan een eigen NV en wijst het cassatieberoep af.