ECLI:NL:PHR:2001:AB3103
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling tussen oom en kind in het belang van het kind
De zaak betreft een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen een oom en zijn neef, waarbij de vader van het kind reeds was overleden. De omgang had plaatsgevonden tot september 1998, waarna de moeder het contact verbrak. De oom verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen. De Raad voor de Kinderbescherming bracht een rapport uit waarin werd geconcludeerd dat het in het belang van het kind is om contact te hebben met de familie van zijn overleden vader.
De rechtbank stelde een omgangsregeling vast van eenmaal per twee maanden een zondagmiddag, met een dwangsom bij weigering van medewerking door de moeder. Het hof bekrachtigde deze beschikking en oordeelde dat er een nauwe persoonlijke betrekking tussen oom en kind bestaat zoals bedoeld in art. 1:377f BW. De moeder ging in cassatie tegen deze beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de feiten begrijpelijk heeft vastgesteld en dat het belang van het kind bij omgang met de oom terecht is meegewogen, mede op basis van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. De klachten van de moeder faalden, en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de omgangsregeling tussen oom en kind blijft gehandhaafd.