ECLI:NL:PHR:2001:AD3530
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens doodslag op minderjarig kind door verdrinking in sloot
Op 20 september 1999 heeft verdachte het dertien maanden oude meisje uit haar woning gehaald en het in of nabij een sloot achter het huis gelegd, waar het kind is verdronken. Verdachte had vooraf informatie ingewonnen over de routine van de ouders en handelde doelgericht. Het hof oordeelde dat verdachte wist dat het kind zou verdrinken en veroordeelde haar tot acht jaar gevangenisstraf.
Verdachte voerde een alibi aan dat zij rond het tijdstip van het delict in een andere plaats was en dat het onmogelijk was om het kind te doden en daarna op tijd te bellen. Het hof verwierp dit alibi op basis van tijdsreconstructies en getuigenverklaringen, waaronder een verklaring van haar vader die haar voor het raam zag staan. Verdachte ontkende schuld, maar het hof achtte het bewijs overtuigend.
In cassatie werden vijf middelen aangevoerd, waaronder kritiek op de bewijsvoering en het oordeel over het opzet. De Hoge Raad verwierp alle middelen, bevestigde dat het hof het vereiste opzet terecht aannam en dat de bewijsvoering voldoende was. Ook werd geoordeeld dat het hof niet onredelijk was in zijn conclusies en dat geen sprake was van denaturering van verklaringen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens doodslag op een dertien maanden oud meisje door verdrinking.