Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Standpunt van de verdediging
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
Uit de bemonsteringen van drie van de vier bij het blauwe wapen passende hulzen is een DNA-profiel bepaald dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer 1] ; de matchkans is kleiner dan één op één miljard. Uit de bemonstering van de vierde huls is een onvolledig DNA-mengprofiel bepaald, waarbij [slachtoffer 1] niet als donor kan worden uitgesloten. Het hof heeft hieruit afgeleid dat [slachtoffer 1] het blauwe wapen heeft geladen en op enig moment in handen heeft gehad.
is in zijn hoofd geraakt door een kogel uit het blauwe wapen. Het traject van dit schot – van voor naar achter en van onder naar boven (hoofdwaarts), vanaf het inschot in de linkerwang naar het schedeldak waar een kogeldeel (SIN AAJQ4356NL, hierna: kogel 4356) is aangetroffen – past naar het oordeel van het hof bij een schot van voren toen [slachtoffer 1] op zijn rug lag, zoals beschreven door [betrokkene 1] . Hierbij heeft het hof de verklaring van [betrokkene 1] betrokken dat hij ter hoogte van de heupen van [slachtoffer 1] stond toen hij het wapen van [slachtoffer 1] had afgepakt en daarmee op [slachtoffer 1] schoot, en overwogen dat [slachtoffer 1] ten minste eenmaal binnen een afstand van 100 centimeter is beschoten.
Het hof heeft verder vastgesteld dat [slachtoffer 2] van achteren is doorschoten met een kogel uit het blauwe wapen. Op deze kogel (SIN AAIT3977NL, hierna: kogel 3977) is de aanwezigheid van bloed, lever- en spierweefsel aangetoond en bij DNA-onderzoek aan de kogel is een profiel bepaald dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer 2] , met een matchkans die kleiner is dan één op één miljard. Het hof heeft vastgesteld dat deze kogel pas op de dag na de schietpartij is aangetroffen en dat de positie waarin de kogel zich toen bevond niet de oorspronkelijke positie van de kogel was. Uit een proces-verbaal waarin bevindingen van forensisch onderzoek zijn weergegeven (bewijsmiddel 27) heeft het hof afgeleid dat de kogel bij het verplaatsen van het lichaam van [slachtoffer 2] is verplaatst en zich oorspronkelijk onder zijn op zijn buik liggende bovenlichaam heeft bevonden. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de locaties van beschadigingen van een vloermat, het daaronder liggende houten vloerdeel en een (uitschot)beschadiging in de voorzijde van het shirt van [slachtoffer 2] . Bij zijn oordeel dat sprake is van een doorschot heeft het hof mede in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij met het van [slachtoffer 1] afgepakte wapen heeft geschoten op de op zijn buik liggende [slachtoffer 2] en daarbij op zijn rug heeft gemikt.
Het hof heeft overwogen dat, als [slachtoffer 2] met het blauwe wapen zou hebben geschoten, hij niet alleen zichzelf van achteren zou hebben geraakt maar ook [slachtoffer 1] van onderen naar boven in het hoofd zou hebben geraakt. Dit heeft het hof telkens op zichzelf al onwaarschijnlijk geacht en bij elkaar genomen nog minder. Op grond van dit alles heeft het hof geconcludeerd dat het wapen van [slachtoffer 1] dat [betrokkene 1] heeft gepakt, het blauwe – en dus niet het groene – wapen is geweest.
Het hof heeft overwogen dat, als [slachtoffer 2] met het groene wapen zou hebben geschoten, hij ten minste eenmaal zichzelf op de hiervoor beschreven wijze en driemaal [slachtoffer 1] zou hebben geraakt. Ook dit heeft het hof onwaarschijnlijk geacht.
De bewijsvoering houdt verder – naast de eigen waarneming van het hof en de uitlatingen van [getuige 1] , zoals hierna besproken bij de beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel – onder meer in dat een verbalisant op de beelden van de bewakingscamera van het café heeft gezien dat de verdachte kort voordat hij richting de uitgang loopt in zijn linkerhand een zwart langwerpig voorwerp met zich draagt dat de vorm van een pistool heeft.
De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. (Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.)
Verder klaagt het cassatiemiddel dat het oordeel van het hof dat het doorschot met kogel 3977 bij [slachtoffer 2] past bij de verklaring van [betrokkene 1] dat hij op [slachtoffer 2] heeft geschoten toen deze op zijn buik lag en daarbij op de rug mikte, niet begrijpelijk is omdat het hof niet (kenbaar) in zijn overwegingen heeft betrokken dat [slachtoffer 2] door een kogel uit het groene wapen in de rug is geraakt.
4.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
5.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
6.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
7.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
8.Beslissing
8 november 2022.