ECLI:NL:PHR:2001:ZC3681
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt arbeidsovereenkomst ondanks religieuze context en kost en inwoning als loon
De zaak betreft een geschil tussen de Stichtingen Huize Bethesda en Huize Eliëzer en een verzorgster die sinds 1969 werkzaamheden verricht voor de stichtingen. De verzorgster ontving kost en inwoning en een kleine vergoeding, en werkte binnen een geloofsgemeenschap. De stichtingen betoogden dat zij als vrijwilligster 'pro Deo' werkte, zonder arbeidsovereenkomst.
De kantonrechter en rechtbank stelden vast dat er wel degelijk sprake was van een arbeidsovereenkomst, omdat er loon werd betaald in de vorm van kost en inwoning, een gezagsverhouding bestond en er een verplichting tot arbeid was. De stichtingen gingen tegen dit oordeel in cassatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet afhankelijk is van de intentie van partijen of de religieuze context, maar van de feitelijke omstandigheden zoals loon, gezag en arbeidsplicht. Kost en inwoning werd als loon aangemerkt omdat het direct verband hield met de werkzaamheden en slechts werd verstrekt zolang de verzorgster werkte. De gezagsverhouding was reëel en arbeidsrechtelijk van aard. De cassatieklachten werden verworpen, waarmee het oordeel van arbeidsovereenkomst bevestigd werd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het bestaan van een arbeidsovereenkomst en dat kost en inwoning als loon moet worden aangemerkt.