ECLI:NL:PHR:2002:AD5278
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vonnis Hoge Raad inzake uitleveringsverzoek Duitsland betreffende drugshandel en andere feiten
De zaak betreft het cassatieberoep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam die de uitlevering van een persoon aan Duitsland toelaatbaar verklaarde wegens verdenking van drugshandel, verboden wapenbezit, heling en oplichting.
De verdediging voerde aan dat de uitleveringsrechter had moeten vragen om nadere informatie over een mogelijke deal tussen de Duitse autoriteiten en een getuige, en dat uitlevering daardoor ontoelaatbaar zou zijn in strijd met art. 6 EVRM Pro en de Nederlandse ordre public. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank deze informatieverzoek terecht heeft afgewezen omdat onvoldoende bewijs van een dergelijke deal was overgelegd.
Wel constateert de Hoge Raad dat de rechtbank niet heeft voldaan aan art. 28 lid 3 Uitleveringswet Pro door niet de plaats van de feiten te vermelden voor enkele feiten en dat de uitlevering ten aanzien van ecstasytabletten die uitsluitend MBDB bevatten niet ontoelaatbaar is verklaard, terwijl dit wel had moeten gebeuren. De Hoge Raad vernietigt het arrest uitsluitend voor deze punten en herstelt deze gebreken.
Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen en blijft de uitlevering toelaatbaar. De uitspraak benadrukt dat het Europees uitleveringsverdrag geen exceptie voor de nationale ordre public kent en dat de uitleveringsrechter slechts bij flagrante schending van art. 6 EVRM Pro de uitlevering kan weigeren.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis deels wegens formele tekortkomingen maar verklaart de uitlevering in hoofdzaak toelaatbaar.