ECLI:NL:PHR:2002:AD5321

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/037HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:974 oud BWArt. 407 lid 2 RvArt. 101a RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling deskundigenrapport en wettelijke rente bij erfdeling onroerende zaken

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser tegen het arrest van het hof verworpen. Het geschil betreft de waardering van onroerende zaken in een erfdeling en de toekenning van wettelijke rente over het erfdeel.

Het eerste middel richt zich tegen de beslissing van het hof om het deskundigenrapport te volgen bij de waardebepaling van de onroerende zaken. De Hoge Raad bevestigt dat de waardering van bewijs, waaronder deskundigenberichten, aan de feitenrechter is voorbehouden en niet in cassatie op juistheid kan worden onderzocht.

Het tweede middel betreft het oordeel van het hof dat de wettelijke rente over het erfdeel pas toewijsbaar is vanaf het moment van aanspraak en niet vanaf het overlijden van de erflater. De Hoge Raad wijst dit middel af omdat het niet voldoet aan de vereisten om af te wijken van de wettelijke regeling op grond van redelijkheid en billijkheid.

Het derde middel betrof het verzoek om nader deskundigenonderzoek en een bewijsaanbod door eiser. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft besloten dat nader deskundigenonderzoek niet noodzakelijk was en dat het bewijsaanbod te vaag was en niet strekte tot het leveren van tegenbewijs tegen concrete feiten. Hierdoor faalt ook dit middel.

De Hoge Raad concludeert dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep met toepassing van art. 101a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Conclusie

Rolnr. C00/037HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 26 okt. 2001
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1. de gezamenlijke erfgenamen van [erflater]
2. [Verweerder 2]
3. de stichting Bewindvoering [...] Stichting in haar hoedanigheid van bewindvoerster over [betrokkene A]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde cassatieberoep berust op drie middelen.
2. Middel I komt op tegen de beslissing van het Hof om de deskundigen te volgen in hun oordeel inzake het reductiepercentage bij de waardebepaling van de ten processe bedoelde onroerende zaken.
3. Voor zover het middel de beslissing van het Hof als onjuist bestrijdt, moet het falen. De waardering van bewijs - waaronder ook bewijs door middel van een deskundigenbericht - is overgelaten aan de rechter. Deze waardering kan wegens haar feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Zie HR 13 januari 1995, NJ 1997, 175 nt. CJHB.
4. Voor zover het middel de beslissing van het Hof als onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd bestrijdt, kan het evenmin slagen. De beslissing van het Hof vindt in r.o. 5.11 van het bestreden arrest een begrijpelijke en toereikende motivering. In die motivering ligt besloten dat en waarom de juridische grondslag van het gebruik van de onroerende zaken weinig invloed heeft op de prijs die in het economisch verkeer tot stand zou zijn gekomen.
5. Middel II keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de wettelijke rente over het erfdeel van [eiser] pas toewijsbaar is vanaf het moment dat daarop aanspraak is gemaakt en niet vanaf de dag van overlijden van de erflater. Het middel bestrijdt niet de door het Hof in dit verband aan art. 4:974 (oud) BW gegeven uitleg, doch betoogt dat de redelijkheid en billijkheid welke de rechtsverhouding tussen de erven regeert, meebrengen dat [eiser] recht heeft op de wettelijke rente vanaf een eerder moment.
6. Het middel moet falen. Het voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro, nu het niet aangeeft waarom de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat in het onderhavige geval behoort te worden afgeweken van de wettelijke regeling inzake de tijdstip met ingang waarvan aanspraak op de wettelijke rente kan worden gemaakt.
7. Middel III is gericht tegen de beslissing van het Hof om het verzoek om een nader deskundigenonderzoek en het subsidiair door [eiser] gedane bewijsaanbod te verwerpen.
8. Voor zover het middel zich keert tegen de verwerping van het verzoek om een nader deskundigenonderzoek, faalt het. Het is aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt overgelaten of hij behoefte heeft aan een nadere deskundige voorlichting. Zie HR 31 maart 1995, NJ 1995, 597 nt. HER en HR 19 mei 2000, NJ 2000, 455. Zie voorts Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 19e dr. 1998, nr. 134.
9. Voor zover het middel klaagt over het passeren van het subsidiair door [eiser] gedane bewijsaanbod, kan het evenmin slagen.
10. Voor zover dat bewijsaanbod betrekking heeft op de waarde van het onroerende zaken, faalt het middel reeds wegens gebrek aan belang, nu de verwerping door het Hof van grief I, die betrekking had op de door de deskundigen getaxeerde waarde van de onroerende zaken, in cassatie niet is bestreden.
11. Voor zover het bewijsaanbod betrekking heeft op het door [eiser] gestelde "gebruik door [erflater] respectievelijk [verweerder 2] dat met inachtneming van een redelijke termijn door de vader kon worden beëindigd" is het middel ongegrond. Het Hof heeft overwogen dat het bewijsaanbod niet betrekking heeft op concrete feiten en omstandigheden. Het Hof heeft daarmee kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat naar zijn oordeel het bewijsaanbod niet is een bewijsaanbod dat strekt tot het leveren van tegenbewijs tegen feitelijke vaststellingen in het deskundigenbericht. Vgl. HR 12 mei 2000, NJ 2000, 440. Dat oordeel is feitelijk en, gelet ook op hetgeen het Hof heeft overwogen in r.o. 5.11, niet onbegrijpelijk. Uitgaande van dit oordeel is evenmin onbegrijpelijk dat het Hof het bewijsaanbod te vaag heeft geoordeeld. Dat het Hof het bewijsaanbod op deze grond heeft gepasseerd, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Vgl. HR 14 november 1997, NJ 1998, 99.
Waar de aangevoerde klachten naar mijn oordeel niet tot cassatie kunnen leiden en niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, strekt de conclusie tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 101a RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,