ECLI:NL:PHR:2002:AD5814
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verzwijging strafrechtelijk verleden bij verzekeringsovereenkomst
In deze zaak draait het om de vraag of eiser, bij het aanvragen van een motorrijwielverzekering, onjuiste informatie heeft verstrekt door zijn strafrechtelijk verleden niet volledig te melden. Eiser had een vraag op het aanvraagformulier naar zijn strafrechtelijk verleden met 'neen' beantwoord, terwijl hij op dat moment betrokken was bij een strafrechtelijk onderzoek en later veroordeeld werd voor verduistering en bedrieglijke bankbreuk.
De verzekeraar weigerde uitkering op grond van artikel 251 K vanwege deze verzwijging. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat eiser de vraag naar strafrechtelijk verleden niet beperkt mocht opvatten als alleen veroordelingen, maar ook lopende strafvervolgingen en andere relevante feiten omvatte. Het hof vond dat eiser dat redelijkerwijs had moeten begrijpen, mede gelet op de ernst van de feiten en de bijstand van een assurantietussenpersoon.
Het cassatieberoep van eiser richtte zich tegen deze uitleg en de gevolgen daarvan, waaronder het beroep op de onschuldpresumptie. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de onschuldpresumptie niet zonder meer geldt in civiele verzekeringsverhoudingen en dat de vraag naar strafrechtelijk verleden in de gegeven context voldoende duidelijk was. Tevens werd overwogen dat een laattijdig beroep op verzwijging niet zonder meer onredelijk is.
De Hoge Raad concludeert dat de verzwijging terecht is aangemerkt en dat het beroep op artikel 251 K door de verzekeraar gegrond is. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de verzwijging van het strafrechtelijk verleden rechtvaardigt de weigering van uitkering.