Uitspraak
3 februari 1984.
Hoge Raad
Verzekerde had een brandverzekering afgesloten bij Interpolis en werd door deze aangesproken wegens verzwijging van zijn strafrechtelijk verleden, waaronder een vervolging in Duitsland in 1974 wegens bedrog en meineed. De rechtbank Breda stond toe dat Interpolis bewijs leverde over feiten die verzekerde had verzwegen. Het Hof 's-Hertogenbosch vernietigde het vonnis en wees de vordering van verzekerde toe, waarbij het oordeelde dat het niet vermelden van niet-veroordelende strafrechtelijke beslissingen niet automatisch op een opzettelijke verzwijging duidt.
Interpolis stelde in cassatie dat het Hof onvoldoende had meegewogen dat verzekerde met zijn verzwijging de bedoeling had zich een verzekering te verschaffen die anders niet was gesloten. Tevens klaagde Interpolis over het niet betrekken van een pleitnota die nieuwe feiten en omstandigheden bevatte, en over het niet opvragen van strafrechtelijke gegevens bij een Duitse overheidsinstantie.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof het strafrechtelijk verleden uit 1974 ten onrechte had buiten beschouwing gelaten en dat het Hof tekort was geschoten in zijn motivering door niet in te gaan op de nieuwe feiten uit de pleitnota. Ook stelde de Hoge Raad dat de rechter niet zonder instemming van verzekerde strafrechtelijke gegevens bij een buitenlandse overheid mag opvragen. Het arrest van het Hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling.