ECLI:NL:PHR:2002:AD8843
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens weigering informant als getuige te doen horen
De zaak betreft een moord- en poging tot moordzaak waarbij de verdachte in eerste aanleg tot 17 jaar gevangenisstraf werd veroordeeld. In hoger beroep beval het hof de rechter-commissaris een informant te horen die verklaarde dat niet verdachte, maar een ander de dodelijke schoten had afgevuurd. De informant weigerde echter mee te werken, ook niet onder afscherming van zijn identiteit, vanwege een toezegging van het openbaar ministerie dat hij niet als getuige zou worden gehoord.
De officier van justitie respecteerde deze toezegging en weigerde de informant voor de rechter-commissaris te geleiden. Het hof verklaarde daarop het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte wegens deze weigering, omdat dit een ernstige inbreuk op het wettelijk systeem vormde. De advocaat-generaal stelde cassatieberoep in tegen deze beslissing.
De Hoge Raad overwoog dat het openbaar ministerie verplicht is rechterlijke bevelen tot dagvaarding en oproeping van getuigen uit te voeren en dat het standpunt van het openbaar ministerie dat een informant geen getuige is, niet juist is. Hoewel de wetgever aanvaardt dat het openbaar ministerie toezeggingen tot anonimiteit aan getuigen kan nakomen, is het niet horen van een informant die belangrijke informatie kan verschaffen problematisch.
De Hoge Raad bevestigde dat de sanctie van niet-ontvankelijkheid passend is wanneer het openbaar ministerie een rechterlijk bevel niet uitvoert, maar nuanceerde dat de ernst van de inbreuk niet zo ver gaat dat het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt door de toezegging aan de informant. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en handhaafde de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Uitkomst: Het openbaar ministerie werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet naleven van een rechterlijk bevel om een informant als getuige te doen horen.