ECLI:NL:PHR:2010:BJ8674
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens weigering oproeping CIE-informant als getuige
In deze zaak stond centraal de weigering van het Openbaar Ministerie (OM) om een CIE-informant op te roepen als getuige, ondanks een bevel van het hof daartoe. De informant beschikte over informatie over een vermeende ontvoering, maar het OM wilde niet dat diens identiteit bekend werd, en weigerde daarom medewerking. Het hof achtte het noodzakelijk de informant te horen, onder meer via een raadsheer-commissaris, en wees het verzoek om in plaats daarvan de CIE-chef te horen af.
De advocaat-generaal stelde dat het OM niet ontvankelijk verklaard moest worden wegens deze weigering, omdat het recht van de verdachte op een eerlijk proces werd geschonden. Het OM betoogde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het horen van de informant noodzakelijk maakten en dat de anonimiteit niet gegarandeerd kon worden, ook niet via het model Vught. De verdediging handhaafde het verzoek om de informant te horen.
De Hoge Raad oordeelde dat de informant als getuige moest worden beschouwd in de zin van artikel 6 EVRM Pro, ook al was niet zeker welke verklaringen hij zou afleggen. Het hof had terecht geoordeeld dat het horen van de informant noodzakelijk was en dat de weigering van het OM om daaraan mee te werken de niet-ontvankelijkheid in de vervolging tot gevolg moest hebben. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van het OM en bevestigde de uitspraak van het hof.
Uitkomst: Het OM wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens weigering de CIE-informant als getuige te laten horen.