Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
geen ruimtebiedt om in de in dat artikellid bedoelde situatie de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
nietuit te spreken. Dat blijkt ook uit de tekst van art. 349 lid 3 Sv Pro zelf, nu dat artikel niet inhoudt dat de rechtbank deze niet-ontvankelijkheid “kan” uitspreken. Dat de wetgever hier zo strikt is, is niet verwonderlijk, nu het niet het openbaar ministerie is maar de rechter die bepaalt welke informatie nodig is om op de door het openbaar ministerie ter beoordeling aangebrachte zaak te beslissen. [3] Overigens moet worden bedacht dat de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zoals bedoeld in art. 349 lid 3 Sv Pro strikt genomen geen beletsel vormt voor een nieuwe vervolging ter zake van hetzelfde feit. [4] In de praktijk zal het daar in dit soort gevallen echter niet zo snel van komen.
NJ2002/518 m.nt. Schalken. Dat arrest houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“of ook nu nog”het door de Hoge Raad in het zojuist aangehaalde arrest van 25 juni 2002 in rov. 3.8 neergelegde uitgangspunt geldt dat
“het enkele feit dat het openbaar ministerie gemotiveerd heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een rechterlijk bevel tot het doen horen van een getuige, in alle gevallen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging”. Volgens de steller van het middel is
“dat niet het geval”.
“algemene overkoepelende maatstaf” moeten hanteren, te weten
“dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit”. Aangezien het bestreden arrest geen blijk geeft van een dergelijke belangenafweging en maatstaf getuigen de overwegingen van het hof van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de steller van het middel. Voor zover die belangenafweging wel besloten ligt in de overwegingen van het hof, heeft het hof zijn oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging onvoldoende gemotiveerd, althans is de motivering van die beslissing onbegrijpelijk.
“het enkele feit dat het openbaar ministerie gemotiveerd heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een rechterlijk bevel tot het doen horen van een getuige, in alle gevallen dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging”.
reeds een algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt. Deze maatstaf houdt in “dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit”. Bij het hanteren van die maatstaf is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.
“als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt”in deze rechtspraak.
(in welke zaak het openbaar ministerie niet ontvankelijk werd verklaard in de strafvervolging van kroongetuige Mink K.; toevoeging PF) [11] , zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Voorzover het middel daarover klaagt is het gegrond.”