ECLI:NL:PHR:2002:AD9126

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/215HR
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 2 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking na cassatie

Deze zaak betreft een voortzetting van een eerdere procedure die leidde tot een arrest van de Hoge Raad in 1996. De eiser in cassatie vordert vaststelling van schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking die hij aan de verweerder verschuldigd zou zijn.

Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft in een arrest van 19 april 2000, na het inwinnen van een deskundigenbericht, de schadevergoeding vastgesteld. De eiser stelde hiertegen cassatieberoep in met meerdere motiveringsklachten.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten niet slagen. De klachten tegen feitelijke beslissingen zijn niet onbegrijpelijk en behoeven geen nadere motivering. Een klacht die niet voldoet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv Pro wordt eveneens verworpen. Daarmee wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Mr. Hartkamp
nr. C00/215HR
zitting 25 januari 2002
Conclusie inzake
[Eiser]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
Feiten en procesverloop
1) Deze zaak is de voortzetting van de procedure die heeft geleid tot HR 15 maart 1996, NJ 1997, 3 m.nt. E.J.H. Schrage. Ik verwijs voor de feiten en de achtergrond van de zaak naar dat arrest en de conclusie van A-G Koopmans. Het gaat thans om de vaststelling van de schadevergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking die de eiser tot cassatie, [eiser], aan de verweerder in cassatie, [verweerder], verschuldigd is.
2) Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de schadevergoeding, na daaromtrent een deskundigenbericht te hebben gelast, vastgesteld in zijn arrest van 19 april 2000.
3) Tegen deze beslissing heeft [eiser] tijdig cassatieberoep ingesteld. Hij stelt daartoe een uit vier (motiverings)klachten opgebouwd middel van cassatie voor. [Verweerder] heeft tot verwerping geconcludeerd en de zaak schriftelijk toegelicht.
Bespreking van het cassatiemiddel
4) Onderdeel 1 komt op tegen r.o. 4, slot, van 's hofs arrest. Met "r.o. 4, slot" wordt kennelijk gedoeld op de laatste volzin van die rechtsoverweging.
Ik meen dat de klacht faalt omdat zij niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv Pro.
Subsidiair meen ik dat de klacht faalt omdat 's hofs overweging niet onbegrijpelijk is.
Voorzover het onderdeel beoogt op te komen tegen het feit dat het hof de apotheek heeft gewaardeerd per 1 januari 1983 volgens de door het hof gehanteerde maatstaf (de waarde op basis van de toen geldende, binnen de kring van apotheekhoudende huisartsen aanvaarde waarderingsgrondslagen met betrekking tot doktersapotheken), stuit de klacht bovendien hierop af, dat die waardering voortbouwt op de eindbeslissing in het arrest van 25 mei 1994 (r.o. 3), waartegen [eiser] bij zijn eerdere cassatieberoep niet is opgekomen (zie HR 8 juni 2001, NJ 2001, 432).
5) De onderdelen 2 en 3 zijn gericht tegen r.o. 8 onderscheidenlijk r.o. 12 van het bestreden arrest. Deze klachten worden m.i. tevergeefs voorgesteld, omdat zij opkomen tegen beslissingen van feitelijke aard die niet onbegrijpelijk zijn en geen nadere motivering behoefden.
6) Onderdeel 4 faalt omdat het niet voldoet aan art. 407 lid 2 Rv Pro. Het onderdeel beroept zich immers op een stelling van feitelijke aard (waarop het hof niet naar behoren zou hebben gerespondeerd), zonder aan te geven waar deze in de gedingstukken te vinden is.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden