ECLI:NL:PHR:2002:AD9181

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01463/01
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 344 SvArt. 360 SvArt. 415 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onrechtmatig gebruik schriftelijk bescheid van onbekende getuige

De verdachte werd door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit en veroordeeld voor doodslag tot zeven jaar gevangenisstraf met verbeurdverklaring. Namens de verdachte werd cassatie ingesteld met het middel dat het Hof onterecht bewijs heeft gebruikt van een verklaring van een onbekende persoon zonder nadere motivering.

Het betrof een ambtsedig proces-verbaal van een hoofdagent waarin een onbekende man telefonisch verklaarde over een gesprek met de verdachte. Volgens de Hoge Raad is dit schriftelijk bewijs een zogenaamd schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, derde lid Sv, waarvoor in het arrest een bijzondere reden moet worden vermeld. Dit is niet gebeurd, zodat het bewijs niet rechtsgeldig is gebruikt.

Daarnaast is door Rechtbank en Hof het verzoek van de verdediging om de onbekende persoon als getuige te horen afgewezen, terwijl het Hof ook niet heeft voldaan aan de eis dat een schriftelijk bescheid slechts mag worden gebruikt als de verdachte niet wenst de persoon te ondervragen. Hierdoor is het verhoorrecht van de verdachte geschonden.

De Hoge Raad verklaart het middel terecht en vernietigt het arrest. De zaak wordt verwezen naar een ander hof voor hernieuwde berechting van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier.

Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 01463/01
Mr Wortel
Zitting: 5 februari 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=verdachte]
1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van het hem primair tenlastegelegde en wegens "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar met verbeurdverklaring als in het arrest omschreven.
2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
3. Daarin wordt er over geklaagd dat zonder nadere motivering voor het bewijs gebruik is gemaakt van een verklaring van een onbekend gebleven persoon.
4. De klacht ziet op bewijsmiddel 7, in de aanvulling op de bestreden uitspraak als volgt weergegeven:
"7. Het ambtsedig proces-verbaal van politie Haaglanden, d.d. 8 juni 2000, nummer PL1532/2000/11619-74 (nummer PL1532/2000/11619-III). Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door N.H.J. van Luijk, hoofdagent van politie Haaglanden. Het houdt onder meer in, verkort en zakelijk weergegeven:
als het relaas van de verbalisant (blz. 104 e.v.):
Ik verklaar het volgende:
Telefonisch contact met 06-[...]
Op 8 juni 2000 nam ik via genoemd telefoonnummer telefonisch contact op met een verder onbekend gebleven man. De man deelde mij mede zich de telefonische gesprekken met [verdachte] op 18 april 2000 te kunnen herinneren.
Op mijn vraag hoe [verdachte] tijdens het gesprek op die dag te 17.09 uur op hem over kwam vertelde de man dat [verdachte] tijdens dat gesprek door het dolle heen was en dat hij liep te schreeuwen.
Op mijn vraag waarom [verdachte] hem belde zei de man dat [verdachte] verdovende middelen bezorgd wilde hebben, omdat hij, zei [verdachte] tegen hem, voor tien jaar weg zou gaan; hij had met iemand gevochten.
[Verdachte] zei dat hij de man met wie hij had gevochten voor was; [verdachte] had hem kapot gemaakt."
5. Dit bewijsmiddel kan niet anders worden aangemerkt dan als een schriftelijk bescheid, houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, als bedoeld in artikel 344, derde lid Sv.
6. Ingevolge artikel 360, eerste lid Sv, in verbinding met artikel 415 Sv Pro moet in het arrest de bijzondere reden voor het gebruik van zo een schriftelijk bescheid worden vermeld. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan is de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed, vgl. HR NJ 1997, 723.
7. Daar komt bij dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep bij herhaling door de verdediging de wens te kennen is gegeven de onbekend gebleven persoon als getuige te (doen) horen. Zowel Rechtbank als Hof hebben dat verzoek afgewezen op de grond dat niet viel te verwachten dat de getuige binnen afzienbare tijd ter terechtzitting zou verschijnen, gelet op de gebleken onmogelijkheid voor de politie om de identiteit van de getuige te achterhalen. Dat brengt mee dat het Hof ook de in artikel 344, derde lid sub b Sv gestelde beperking heeft veronachtzaamd dat een schriftelijk bescheid als waarvan hier sprake is slechts tot het bewijs kan worden gebezigd, wanneer niet door of namens de verdachte op enig moment in het geding de wens te kennen is gegeven om de persoon wiens verklaring zonder vermelding van personalia is weergegeven te ondervragen of te doen ondervragen, vgl HR 17 april 2001, 02589/00 (samengevat in Nederlands Juristenblad 2001, p. 1002, nr 100).
8. Het middel is dus terecht voorgesteld.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,