ECLI:NL:PHR:2002:AD9562

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00999/01
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 293 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering bij bewijsuitsluiting en bevestiging verkrachtingsveroordeling

De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof Arnhem dat hem veroordeelde tot acht maanden gevangenisstraf wegens verkrachting. Het eerste middel richtte zich tegen de beslissing van de voorzitter van het hof om bepaalde vragen aan de getuige te verbieden, zonder voldoende motivering. De Hoge Raad oordeelde dat deze beslissing niet toetsbaar was wegens het ontbreken van een motivering en dat het hof dit had moeten uitdrukken.

Het tweede middel betrof de bewijsvoering. De verdediging stelde dat de bewijsmiddelen onvoldoende waren om te concluderen dat de verdachte het slachtoffer tot seksuele handelingen had gedwongen. De Hoge Raad verwierp dit middel, stellende dat de verklaring van het slachtoffer, de gedragingen van de verdachte en de verklaring van een andere betrokkene over soortgelijke feiten voldoende steun boden voor de veroordeling.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Arnhem vanwege het eerste middel en verwees de zaak naar een ander hof voor verdere behandeling. Hiermee werd benadrukt dat de motivering van beslissingen omtrent het beletten van vragen aan getuigen essentieel is voor toetsing in cassatie.

Uitkomst: Arrest van het hof vernietigd wegens onvoldoende motivering bij het beletten van vragen aan getuige; zaak verwezen naar ander hof.

Conclusie

Nr. 00999/01
Mr Machielse
Zitting 12 februari 2002
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 2 februari 2001 voor verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen.
2. Verdachte heeft cassatie ingesteld en mrs A.M. Ficq-Kengen en G.P. Hamer, advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingediend, houdende twee middelen van cassatie.
Het eerste middel keert zich tegen de beslissing van de voorzitter van het hof vragen aan een getuige te beletten. Deze beslissing zou onjuist, onbegrijpelijk, of in ieder geval ontoereikend zijn gemotiveerd.
3.1. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in appel houdt het volgende in:
De voorzitter belet de volgende door de raadsman aan de getuige gestelde vragen.
1. Weet zij wie de vader van het geaborteerde kind was.
2. Heeft zij pijn bij het hebben van gemeenschap.
3.2. In cassatie moet het gebruik dat de rechter maakt van de in art.293 Sv Pro gegeven bevoegdheid om te beletten dat aan enige vraag aan een getuige gevolg wordt gegeven, kunnen worden getoetst. De redenen die de rechter opgeeft moeten die beslissing kunnen dragen.(1) In de onderhavige zaak ontbreekt een motivering van de beslissing. Weliswaar heeft de advocaat blijkens het proces-verbaal direct na de beslissing niet gepersisteerd bij zijn voornemen deze vragen aan de getuige te stellen en is hij evenmin bij pleidooi op de beslissing van het hof teruggekomen en wellicht heeft het hof gemeend dat uit de verklaring van de getuige het antwoord op de tweede vraag kan worden afgeleid en dat het antwoord op de eerste vraag niet van belang was voor enige beslissing in de strafzaak te nemen, maar dan had het hof dat tot uitdrukking moeten brengen.
Het eerste middel komt mij gegrond voor.
4.1. Het tweede middel klaagt over de bewijsvoering.
In de eerste plaats zouden de gebezigde bewijsmiddelen niet de conclusie kunnen dragen dat verdachte het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen.
In de tweede plaats zou er onvoldoende steun voor de belastende verklaring van getuige [het slachtoffer] in de bewijsvoering bestaan.
4.2. Het hof heeft voor het bewijs gebezigd de verklaring van de getuige [het slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd, luidende voor zover hier van belang:
Ik kreeg een relatie met [verdachte]. (..) Op 19 december 1997 ben ik getrouwd met [verdachte]. Op 27 december 1997 ging ik in onze woning in Beuningen naar de slaapkamer. [Verdachte] kwam even later op die dag achter mij aan. Ik stond naast het bed. Hij ging achter mij staan, gooide mij op bed, draaide mijn lichaam, hield mij met beide handen bij mijn polsen vast, ging op mij liggen, waardoor ik niet meer weg kon, en deed vervolgens met een hand mijn gele pyamabroek naar beneden en met zijn benen deed hij die broek verder naar beneden. Vervolgens kwam hij met zijn penis in mijn vagina. Hij ging met zijn penis uit mijn vagina en kwam met zijn penis schuin in mijn vagina weer naar binnen, waarna hij na een aantal stoten klaar kwam. Ik ervoer dit als een extreme en pijnlijke vorm van gemeenschap hebben. Ik wilde dit niet. (..)
Uit dit bewijsmiddel is af te leiden dat verdachte de getuige heeft gedwongen tot het dulden van de door haar omschreven handelingen van verdachte. Degene die de ander op bed gooit en dan zodanig bij de polsen vasthoudt dat die ander niet meer kan ontsnappen moet ook zelf hebben beseft dat hij de ander de daarop volgende handelingen tegen haar wil heeft doen ondergaan. Er is geen enkele aanwijzing voor dat het slachtoffer instemde met deze gang van zaken of er eerder blijk van had gegeven toestemming te geven voor deze wijze van seksueel verkeer. Dat de getuige niet wilde heeft zij uitdrukkelijk verklaard evenals dat zij niet weg kon.
Voorts heeft het hof voor het bewijs gebezigd dat verdachte seks heeft gehad met de getuige.
Tenslotte heeft het hof de verklaring van [betrokkene A] gebezigd, waarin sprake is van verkrachtingen door verdachte van deze getuige in de periode van 1980 tot 1992. De stelling in de toelichting op het middel dat de verkrachting van [betrokkene A] 17 jaar voor het tenlastegelegde feit heeft plaatsgevonden berust dus op een onjuiste lezing van haar voor het bewijs gebezigde verklaring. Het staat de rechter vrij tot het bewijs te doen meewerken verklaringen omtrent feiten die soortgelijk zijn aan de tenlastegelegde feiten.(2)
Het tweede middel faalt.
5. Gegrondbevinding van het eerste middel doet mij concluderen tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof ter berechting en afdoening.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR NJ 1981,648.
2 HR NJ 1992,197; HR NJ 1995,620; HR 27 februari 2001, nr. 02437/00 m.b.t. het tweede cassatiemiddel.