ECLI:NL:PHR:2002:AE1538
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verjaringstermijn en stuiting bij invordering bestuurlijke dwangsommen
In deze zaak staat centraal de vraag of na stuiting van de verjaringstermijn door het uitvaardigen van een dwangbevel een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen en hoe dit zich verhoudt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen.
De Gemeente Haarlemmermeer had dwangsommen opgelegd aan [verweerder] wegens overtreding van een bestemmingsplan. Na verschillende procedures, waaronder bezwaar, beroep en verzet tegen dwangbevelen, ontstond discussie over de verjaring van de bevoegdheid tot invordering van deze dwangsommen. De rechtbank en het hof oordeelden verschillend over de vraag of de verjaring was gestuit en of een nieuwe termijn was gaan lopen.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn van zes maanden, zoals neergelegd in art. 5:35 Awb Pro, kan worden gestuit door het bestuursorgaan door het uitvaardigen van een dwangbevel en dat na stuiting een nieuwe termijn van zes maanden begint te lopen. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsommen is verjaard omdat de Gemeente niet tijdig een nieuwe stuitingshandeling heeft verricht na opheffing van de schorsing.
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van verjaringsregels op bestuurlijke dwangsommen en bevestigt de verhouding tussen bestuursrechtelijke en civielrechtelijke verjaringsregels, waarbij de regels uit het Burgerlijk Wetboek overeenkomstig kunnen worden toegepast.
Uitkomst: De bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsommen is verjaard.