ECLI:NL:PHR:2002:AE2245
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op afschrijving goodwill bij inbreng onderneming ondanks fiscale eenheid
In deze zaak staat centraal de vraag of belanghebbende, een dochtervennootschap die een onderneming heeft ingebracht gekregen van haar moedermaatschappij, recht heeft op afschrijving van de goodwill die bij die inbreng aanwezig was. Het hof had geoordeeld dat afschrijving niet toegestaan was omdat dit zou leiden tot een belastinglek bij de moedermaatschappij, aangezien deze de goodwill niet had meegenomen in haar winstberekening.
De Hoge Raad stelt dat moeder- en dochtermaatschappij fiscaal zelfstandig zijn en dat transacties tussen hen als transacties met derden moeten worden beschouwd, tenzij sprake is van een fiscale eenheid. Het hof had een uitzondering gemaakt vanwege de bewustheid van de moedermaatschappij omtrent het niet meenemen van goodwill, maar de Hoge Raad acht deze omstandigheden onvoldoende om af te wijken van het fundamentele uitgangspunt.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof en bevestigt dat belanghebbende de goodwill mag activeren en afschrijven. De waarde van de goodwill wordt vastgesteld op ƒ 100.000, en de afschrijving kan over vijf jaren plaatsvinden. De aanslag vennootschapsbelasting wordt dienovereenkomstig verminderd.
Uitkomst: Belanghebbende mag de goodwill activeren en afschrijven, aanslag vennootschapsbelasting wordt verminderd.