AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt fiscale kwalificatie opwaardering vordering na garantie door gelieerde vennootschap
De zaak betreft de fiscale kwalificatie van een opwaardering van handelsvorderingen door [C] BV op een Spaanse distributeur [E], na een garantie van de Amerikaanse dochter [D] binnen hetzelfde concern. [C] had haar vorderingen wegens de slechte financiële situatie van [E] afgewaardeerd, maar na overname van [E] door [D] en de garantie van [D] werden de vorderingen opgewaardeerd en als toename van het fiscale eigen vermogen geboekt. De Inspecteur kwalificeerde deze opwaardering als belastbare winst.
De Rechtbank en het Hof Den Haag oordeelden dat de garantie zakelijk was en dat de opwaardering voortkomt uit de bedrijfsuitoefening, niet uit de kapitaalsfeer. Het Hof stelde dat [D] een zakelijk belang had bij het behoud van haar Iberische afzetkanaal en dat de garantie ook gegeven zou zijn als [C] een ongelieerde crediteur was geweest. De belanghebbende stelde in cassatie dat de garantie onzakelijk was en een verkapte dividenduitkering gevolgd door een informele kapitaalstorting betrof.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat het oordeel van het Hof dat de garantie zakelijk was en de opwaardering tot de winst behoort, niet onbegrijpelijk is. Hij wees erop dat de garantie niet uitsluitend door concernmotieven werd verklaard en dat [C] een zakelijke tegenprestatie leverde door af te zien van opeising en leverantiestaking. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde de fiscale kwalificatie van de opwaardering als winst uit onderneming.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de opwaardering van de vorderingen wordt als belastbare winst aangemerkt.
Voetnoten
1.Blz. 1 van de uitspraak op bezwaar van 22 november 2012. Vgl. r.o. 7.2 van de Hofuitspraak.
2.Rechtbank noch Hof hebben vastgesteld op welke datum [E] is overgenomen door het [...] concern. Ik maak uit de Stock Purchase Agreement van 31 maart 2010 op dat de overdracht van de aandelen plaatsvond op 31 maart 2010. Ook de belanghebbende schrijft (blz. 6 beroepschrift Rechtbank) dat [D] de aandelen [E] verworven heeft op 31 maart 2010. Ook de Inspecteur gaat daar van uit (o.a. blz. 5 conclusie van dupliek Hof en blz. 3 uitspraak op bezwaar).
3.Uit de verklaring van het management van [D] van 12 april 2010 blijkt dat de garantie (met terugwerkende kracht) vanaf 31 maart 2010 gold.
4.Het Hof heeft abusievelijk opgenomen dat de garantstelling is afgegeven “ten behoeve van de huidige en toekomstige verplichtingen van [E] aan eiseres”. De garantie geldt, blijkens de tekst van de garantstelling, slechts voor de verplichtingen van [E] aan [C] .
5.Bijlage 5 bij belanghebbendes beroepschrift voor de Rechtbank.
6.Volgens belanghebbendes beroep bij de Rechtbank wordt met ‘ [E] ’ in dit verband gedoeld op zowel [E] S.L. als dier deelneming [G] S.L.
7.Blz. 2 van belanghebbende hoger beroepschrift vermeldt: ‘Besloten wordt dat [D] deze aandelen zal verwerven omdat onder toepassing van de US GAAP accounting regels, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Dutch GAAP accounting regels, geen badwill gepassiveerd hoeft te worden zodat de verwerving geen negatief effect heeft op de geconsolideerde [...] cijfers (…). (…) Vele opties worden doorgenomen waaronder het verstrekken van een (ongeclausuleerde) garantstelling binnen de groep aan eiseres ter zake van de onvolwaardige vorderingen op [E] zodat aldus de opgenomen voorziening bij eiseres commercieel kan vrijvallen. (…) Evenals bij de verwerving van [E] wordt besloten dat [D] deze garantie zal verstrekken daar zij onder toepassing van US GAAP accounting regels geen voorziening hoeft op te nemen zodat op geconsolideerd [...] niveau het gewenste effect bereikt wordt’.
10.Blz. 11 van het verweerschrift in hoger beroep vermeldt: ‘Ter motivering vermeldt belanghebbende bij haar subsidiaire standpunt het volgende: ‘Mocht het primaire standpunt van eiseres worden afgewezen en aldus aan de verstrekte garantie geen (onzakelijke) realiteit worden toegekend, dan …’. Deze gevolgtrekking van belanghebbende is onbegrijpelijk. Immers, een afwijzing van het primaire standpunt van belanghebbende houdt niet in dat er geen realiteit wordt toegekend aan de garantie. Ik verwijs naar mijn standpunt en de overwegingen van de Rechtbank, waarbij wel realiteit wordt toegekend aan de garantie, doch waarbij het fiscale rechtsgevolg (t.w. de waardestijging van de vorderingen als gevolg van de garantie is belastbaar als een voordeel uit onderneming) anders is dan belanghebbende stelt op basis van haar primaire standpunt.’
21.Blz. 2 van het beroepschrift in cassatie vermeldt: ‘Belanghebbende is dan ook van mening dat de fiscale kwalificatie van de door [D] afgegeven garantstelling wel degelijk relevant is voor het antwoord op de vraag of de opwaardering van de vorderingen op [E] tot de belastbare winst behoort. Hieraan doet niet af dat belanghebbende, zoals het Hof heeft overwogen, juridisch bezien niet rechtstreeks partij is bij de door [D] afgegeven garantstelling’.