ECLI:NL:PHR:2002:AE3433
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verjaring en schadevergoeding bij arbeidsongeval met blijvende arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een arbeidsongeval op 20 november 1990 waarbij de werknemer, [verweerder], blijvend gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakte. De werkgever, Matrans Marine Services B.V., stelde zich op het standpunt dat de schadevergoeding was verjaard omdat de schade en aansprakelijkheid direct na het ongeval bekend waren. De werknemer stelde dat de verjaring pas kon ingaan toen de blijvende aard van de arbeidsongeschiktheid definitief werd vastgesteld, namelijk eind 1992.
De rechtbank oordeelde dat de verjaring slechts gold voor schade die voor 10 april 1992 was ontstaan, aangezien de blijvende gevolgen van het letsel pas daarna duidelijk werden. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het beroep van de werkgever. De Hoge Raad benadrukte dat de verjaringstermijn pas begint te lopen vanaf het moment dat de schade en de blijvende invaliditeit bekend zijn of redelijkerwijs bekend hadden moeten zijn.
De Hoge Raad wees tevens op het onderscheid tussen materiële schade die al direct na het ongeval bekend was en de immateriële schade die verband houdt met de blijvende handicap. De verjaring voor immateriële schade vangt pas aan na het vaststaan van de blijvende gevolgen. De conclusie van de advocaat-generaal was dat het beroep op verjaring faalt en dat de zaak geschikt is voor verdere afhandeling in de schadestaatprocedure.
Uitkomst: Het beroep op verjaring faalt omdat de verjaringstermijn pas begint na het vaststaan van de blijvende arbeidsongeschiktheid.