ECLI:NL:PHR:2002:AE4380
Parket bij de Hoge Raad
- De Vries Lentsch-Kostense
- Rechtspraak.nl
Toestemming verkoop voormalige echtelijke woning bij echtscheiding zonder medewerking vrouw
Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 1998 gescheiden. De vrouw mocht de echtelijke woning tijdelijk blijven bewonen. Na de echtscheiding ontstond een geschil over de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de verkoop van de woning. De man verkocht de woning aan derden, maar de vrouw weigerde medewerking aan de eigendomsoverdracht.
De man vorderde in kort geding dat de vrouw werd veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van haar aandeel in de woning. De President van de Rechtbank en later het Hof Arnhem gaven hem gelijk, ondanks dat de man niet de formele machtigingsprocedure van art. 3:174 BW Pro had gevolgd. Het Hof oordeelde dat een vergelijkbare voorziening in kort geding kon worden gegeven vanwege gewichtige redenen, zoals de impasse in de boedelscheiding en de aanvaardbare verkoopprijs.
De vrouw stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad verwierp haar middelen en bevestigde dat de voorziening in kort geding rechtens mogelijk is, mits de specifieke vereisten van art. 3:174 BW Pro worden toegepast. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het ontbreken van een termijnstelling in het vonnis de inschrijving in de openbare registers niet verhindert. De cassatie werd verworpen.
Uitkomst: De vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop en levering van haar aandeel in de voormalige echtelijke woning aan derden.