ECLI:NL:PHR:2002:AE5145
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wijziging onderhoudsbijdrage wegens vermeende draagkrachtvermindering
In deze zaak verzocht de onderhoudsplichtige tot wijziging van de onderhoudsbijdrage ten gunste van zijn dochter, vastgesteld op f 400,- per maand. Hij stelde dat zijn draagkracht was verminderd vanwege de beëindiging van zijn Nederlandse bedrijf en de opzet van een bedrijf in Frankrijk.
De rechtbank wees het verzoek af wegens onvoldoende onderbouwing en inzage in de financiële situatie. Ook het hof bekrachtigde deze beslissing, oordelend dat de ingebrachte stukken onvoldoende waren om de wijziging aannemelijk te maken. Het hof veroordeelde de verzoeker tevens in de proceskosten wegens het nodeloos instellen van appel.
In cassatie werd alleen geklaagd over de motivering van het hof. De Hoge Raad overwoog dat de vaststelling van draagkracht een feitelijke beoordeling is die niet in cassatie kan worden herzien en dat aan beslissingen over draagkracht geen zware motiveringseis geldt. De ingebrachte stukken, waaronder belastingaanslagen, Franse belastingberichten en een balans van het Franse bedrijf, boden onvoldoende bewijs voor de gestelde wijziging.
De Hoge Raad concludeerde dat het middel de hindernissen niet overwint en verwierp het cassatieberoep, zonder dat het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling dit vereiste.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de onderhoudsbijdrage wordt niet gewijzigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van een draagkrachtvermindering.