ECLI:NL:PHR:2002:AE8772
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid hulp bij zelfdoding zonder medisch-professioneel oordeel
In deze zaak stond de vraag centraal of de verdachte, een huisarts, strafrechtelijk aansprakelijk kon worden gesteld voor het opzettelijk behulpzaam zijn bij zelfdoding van een bejaarde patiënt die leed aan een zinloos bestaan en lichamelijke aftakeling zonder een medisch classificeerbare ziekte. Het Hof had de verdachte strafbaar verklaard, maar geen straf opgelegd vanwege toepassing van art. 9a Sr. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en dat hij zich op noodtoestand mocht beroepen.
De Hoge Raad oordeelde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was, ook al was sprake van een proefproces ter verduidelijking van de jurisprudentie omtrent het begrip 'ondraaglijk en uitzichtloos lijden'. Het hof had terecht geoordeeld dat het lijden van de patiënt niet voldoende medisch-professioneel was vastgesteld en dat de verdachte had nagelaten alternatieve behandelopties te onderzoeken. Hierdoor kon geen beroep op noodtoestand slagen.
Verder benadrukte de Hoge Raad dat het begrip 'ziekte' ruim moet worden opgevat, inclusief niet-behandelbare ouderdomskwalen, maar dat het lijden in dit geval grotendeels bestond uit existentieel lijden waarvoor geen medisch-professioneel oordeel bestond. De verdachte kon zich niet beroepen op verontschuldigbare rechtsdwaling omdat hij zich bewust was van de onduidelijkheid in de beroepsgroep. De zaak leidde tot een belangrijke verduidelijking van de zorgvuldigheidseisen en de marginale toetsing die rechters moeten toepassen bij artsen die hulp bij zelfdoding verlenen onder de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
Uitkomst: De verdachte werd strafbaar verklaard voor hulp bij zelfdoding zonder strafoplegging, waarbij het beroep op noodtoestand werd verworpen.