Conclusie
Het cassatieberoep
Feiten en achtergronden
Maatschappelijke context
Voltooid leven. Over hulp bij zelfdoding aan mensen die hun leven voltooid achten. De commissie heeft in haar rapport de onderhavige zaak besproken en in het kader van haar onderzoek ook met de verdachte gesprekken gevoerd. [4] Eén van de belangrijkste conclusies van de Commissie-Schnabel is dat de huidige wetgeving voldoende ruimte biedt om het merendeel van de gevallen “van de ‘voltooid leven’-problematiek te ondervangen”. De formulering van de wet laat volgens de commissie bij handhaving van de zorgvuldigheidseisen en het medische handelingsmonopolie ruimte voor veranderende inzichten, zowel in verruimende als in beperkende zin. [5] Niettemin hebben de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van (toen nog) Veiligheid en Justitie in een brief van 12 oktober 2016 kenbaar gemaakt een extra uitzondering op de strafbaarheid van hulp bij zelfdoding te willen ontwikkelen, gebaseerd op het recht op autonomie. [6] Tweede Kamerlid P. Dijkstra (D66) heeft eind 2016 een concept voor een initiatiefwetsvoorstel – Wetsvoorstel toetsing levenseindebegeleiding van ouderen op verzoek – gepresenteerd. Door de ChristenUnie, Omroep Max en ouderenorganisatie KBO-POCB is juist het initiatief genomen tot het schrijven van een manifest met als strekking leed dat achter de term ‘voltooid leven’ kan schuilgaan te verzachten, “zodat de wil om te leven weer de overhand neemt”. Het manifest is getiteld
Waardig ouder worden. [7]
De juridische context
NJ2017/269 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden ten aanzien van het door het hof gegeven ontslag van alle rechtsvervolging. De Hoge Raad overwoog dat het hof in essentie niet wezenlijk meer had gedaan dan de voor een arts geldende zorgvuldigheidseisen als referentiekader te hanteren, terwijl de verdachte de – in de huidige wetgeving cruciale – hoedanigheid van arts miste. De Hoge Raad voegde daaraan nog toe dat uit de vaststellingen van het hof blijkt dat de verdachte zelfs niet had voldaan aan de vereisten van het door het hof gehanteerde kader. De Hoge Raad verwees de zaak naar het hof Den Bosch, dat de verdachte bij arrest van 31 januari 2018 wel veroordeelde wegens hulp bij zelfdoding. Tegen die uitspraak is het cassatieberoep gericht.
NJ2017/269 in de onderhavige zaak worden gezien. Het toetsingskader dat in dat arrest centraal staat, vormt de basis bij de bespreking van de namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddelen.
Bespreking van de cassatiemiddelen
Vaststelling van feiten na verwijzing
eerste middelbehelst de klacht dat het hof de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend, omdat het bij de beantwoording van de vragen die na verwijzing in hoger beroep nog aan de orde waren niet slechts is uitgegaan van de feiten zoals deze door het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn arrest van 13 mei 2015 zijn vastgesteld. Voorts bevat het middel de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de vraag van welke feiten het hof diende uit te gaan.
Overmacht in de zin van noodtoestand
tweede middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich niet kan beroepen op overmacht in de zin van noodtoestand getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.
derde middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onbegrijpelijk gemotiveerd het verweer van de verdediging dat art. 294, tweede lid, Sr buiten toepassing moet worden gelaten omdat de onverkorte toepassing in strijd is met art. 8 EVRM Pro, heeft verworpen.
‘Verontschuldigbare noodtoestand’
vierde middelbevat de klacht dat het hof het verweer dat sprake is geweest van een ‘verontschuldigbare noodtoestand’ heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen.
Psychische overmacht
vijfde middelbehelst de klacht dat het hof bij de beoordeling van het door de verdediging gedane beroep op psychische overmacht door te oordelen dat niet aannemelijk is geworden dat het voor de verdachte op het moment van handelen onmogelijk was anders te handelen dan hij heeft gedaan niet de juiste maatstaf heeft aangelegd, althans dat de afwijzende beslissing op het beroep op psychische overmacht onbegrijpelijk is.
konen
behoefdete bieden. [62] Psychische overmacht heeft daarmee een normatieve component. Van psychische overmacht zal slechts sprake kunnen zijn als van de verdachte redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat hij — door weerstand te bieden aan de (psychische) aandrang daartoe — zich anders zou gedragen. [63] In zekere zin is daarmee sprake van objectivering. De vrees moet, in het licht van de persoon van de dader, redelijk zijn. Machielse wijst erop dat deze objectivering ertoe kan leiden dat de rechter van oordeel is dat een beroep op psychische overmacht niet opgaat omdat de verdachte heeft moeten beseffen dat er nog andere manieren waren om aan de bedreiging te ontkomen. [64]
redelijkerwijzegeen weerstand kon bieden. Ten aanzien van het “van buiten komende” karakter van de drang heeft het hof nog overwogen dat [betrokkene 1] geen druk op de verdachte heeft uitgeoefend om te helpen bij haar zelfdoding, maar dat in dat verband sprake is geweest van een aanbod van de verdachte. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel geen sprake is geweest van een van een buiten komende drang, zoals vereist is voor de aanvaarding van een beroep op psychische overmacht. Ook in dit opzicht acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, terwijl het toereikend is gemotiveerd.
De strafoplegging
zesde middelbehelst de klacht dat de beslissing van het hof dat aan de voorwaardelijk opgelegde straf een proeftijd van twee jaren wordt gekoppeld zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, omdat er geen bijzondere voorwaarden zijn gesteld en het hof heeft vastgesteld dat er geen kans is op recidive. Het
zevende middelbevat de klacht dat de motivering van de strafoplegging tekortschiet, omdat de opgelegde straf tegen de achtergrond van de door de advocaat-generaal gevorderde straf en de door de rechtbank opgelegde straf verbazing wekt. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.