ECLI:NL:PHR:2002:AF2283
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid vervroegde onteigening voor natuurgebied Westerschelde
Eiser was eigenaar van een perceel dat bij koninklijk besluit was aangewezen voor onteigening ten behoeve van de realisatie van een natuurgebied in het kader van het Westerscheldetunnelproject. De Staat dagvaardde eiser voor vervroegde onteigening, waarna de rechtbank dit uitsprak en een voorschot op schadeloosstelling vaststelde.
Eiser stelde cassatie in tegen het vonnis, met drie middelen: een motiveringsklacht over het oordeel dat bedrijfsverplaatsing een gepasseerd station is, een betwisting van het oordeel dat hij het natuurgebied niet zelf kon realiseren, en een klacht over de naleving van artikel 17 Onteigeningswet Pro (Ow) omtrent het doen van een serieus aanbod.
De Procureur-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep ontvankelijk was, maar inhoudelijk ongegrond. De Hoge Raad bevestigde dat bedrijfsverplaatsing geen rol speelt bij de toetsing van de onteigeningstitel, dat de rechter slechts marginaal toetst aan de mogelijkheid tot zelfrealisatie en dat de rechtbank het aanbod van de Staat als redelijk en serieus heeft beoordeeld. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser tegen de vervroegde onteigening werd verworpen.